Berendrechtonline________________________________________________________________________De Frederik

De Frederik

( Uit het boek: beschryving van het dorp Berendrecht, door wylen den zeer eerw. heer F.G.C DE MEYER ,  1855 )

Frederick, nu gemeenlyk den Frederick genaemd, is eene plaets op het grondgebied van Berendrecht, by de Schelde. Zy wordt aldus geheeten uyt hoofde van eene schans, die den Prins Frederick - Hendrick aldaer, in of omtrent het jaer 1628, heeft doen maken, om het fort Lillo te beveyligen tegen den inval der Spanjaerden, die te Santvliet en daeromtrent gelegerd lagen. In het jaer 1747, hebben de Franschen deze schans veroverd; zy is geslecht geworden door bevel van Keyser Joseph II, even als onderscheydene andere aen de Schelde gelegen. Intusschen heeft de plaets den naem van Frederik, of Frederick - Hendrick behouden. Zy heeft eene bekwame kil om graen en andere voorwerpen in en uyt te schepen tot gerief der inwooners van Berendrecht en Santvliet.  

 


( Uit het boek: Geschiedenis en merkwaardigheden van Berendrecht, door C.ADRIAENSSENS  1939 )

Gehucht van Berendrecht. Vroeger eeuwen was het een versterking (fort) gebouwd door den prins Frederik - Hendrik van Oranje in 1628. De versterking van eertijds en die vlakbij de Schelde lag is verdwenen, thans staan er de suikerfabriek en enige huizen. De naam Frederik - Hendrik, zoals hij eigenlijk moet zijn werd verkort tot Frederik.


( Uit het boek: Antwerpen tussen polder en haven, door LUTGART BREDAEL )

In 1628 liet prins Frederik een versterking bouwen op een plaats die de geschiedenis ingaat als «de Frederik». De vesting was bedoeld als tegenhanger van Zandvliet, waar de spanjaarden versterkingen aanlegden. Het fort Frederik vormde in het polderland een merkwaardig landschap. Als overblijfsel van een oud vestingwerk uit de oorlogen van de 16e en 17e eeuw kwam er na de sloping van het fort een burgerlijke bewoning in 1786. In 1870 werd op de plaats van de wallen een kleine haven gegraven. Wegens zijn ligging, dicht bij de vaargeul, was deze aanlegplaats hoofdzakelijk bedoeld voor de suikerfabriek. Deze fabriek werd in hetzelfde jaar gebouwd op de vroegere versterking. Economisch was deze fabriek een goede zaak voor de streek. Zij zou al vlug de agrarische, industriële kern van het polderland worden. Vanuit de polders van Linkeroever werden bieten aangevoerd. Per campagne bewerkte de fabriek dertig tot veertigduizend ton bieten. Tijdens de wintermaanden werkten vele mensen uit de streek mee aan de opbouw van het bietenseizoen. Het haventje werd herhaaldelijk vergroot o.m. in 1886 en 1890. Moeilijke tijden braken aan in de crisisjaren 1930. De fabriek legde gedurende vier jaar haar activiteiten stil. Tijdens de oorlog 1944 werd de fabriek door de duitsers bezet als strategisch punt. Nadien kende het bedrijf nog een heropleving, tot in 1953 de installaties veel schade leden door de overstromingen van februari. Sedert 1956 is het bedrijf van de suikerfabriek stilgelegd. Hierdoor verviel de werkgelegenheid voor tal van arbeiders uit Berendrecht en omgeving. Een waalse fabriek nam de verwerking van de polderbieten over, o.m. deze van Oreye. De fabriek likwideerde. Zo was zij mede het voorspel van de aftakeling van de polder als landbouwgebied. Het tramspoor, dat eens de suikerfabriek verbond met het hoofdspoor te Berendrechtdorp werd afgebroken, en de dijkpoort afgedicht. Eenmaal nog zou «de Frederik» worden gebruikt. Een raffineertoren, die niet over de weg kon worden vervoerd, kwam met platte schuiten tot in het haventje. De lading diende naar Albatros gebracht. Omwille van de waterwering diende het Frederik~haventje dichtgespoten. Vier eeuwen geschiedenis verdwenen onder het opgespoten zand. Voor de aanleg van het Schelde-RijnkanaaI en het supermoderne complex van de Kreekraksluizen dienden de Scheldedijken op belgisch grondgebied op II meter boven het nulniveau van de Schelde gebracht. De terreinen achter de Scheldedijken dienden hiervoor één tot anderhalve meter te verhogen. Nadat eerst een bodem van wissen en takkebossen was aangebracht konden de opspuitingswerken beginnen. Het kleine haventje van Berendrecht, de Frederik, verdween onder het zand. Om zandverstuiving tegen te gaan werden groenaanplantingen voorzien. Een stukje vergeelde geschiedenis ging definitief verloren.


Uitgave: polderheem 1982 

DE FREDERIK. MET HAVEN EN SUIKERFABRIEK

In 1628 liet Prins Frederik-Hendrik een versterking bouwen nabij de Schelde, op de plaats die hierdoor de geschiedenis is ingegaan als De Frederik ". De vesting was bedoeld als een tegenhanger van Zandvliet, waar de Spanjaarden onder impuls van Spinola versterkingen aanlegden, waarvan er thans nog duidelijke resten bestaan. Hoewel in 1786 gesloopt op last van Jozef II, heeft de Hollandse bezetting van het fort Lillo in 1832 tot daar nog een uitval gedaan, wat laat vermoeden, dat niet alle versterking was opgeruimd. In 1870 werd er op de plaats waar de wallen zich bevonden, en aan de monding van de kreek, een kleine haven gegraven. Gunstig gelegen bij de bocht van de Schelde, dicht bij de vaargeul, was zij o.a. een thuishaven voor vissersboten van Berendrechtse en Zandvlietse Scheldevissers. In hoofdzaak echter was de aanlegplaats bedoeld voor de suikerfabriek, die in hetzelfde jaar werd gebouwd op de vroegere versterking. Het haventje werd vergroot in 1886-1890 en in 1924. Het was een noodzakelijk element voor de goede werking van de suikerfabriek: grondstoffen en suikerbieten konden per schip aangevoerd worden en de fabriek kon anderzijds pulp en suiker langs de waterweg transporteren. De suikerfabriek had zelfs een eigen spoor, dat aansloot bij de buurtspoorweg. Maar de boeren uit de polder verkozen het vervoer met eigen middelen te doen. De suikerfabriek, of " Sucrerie de Beirendrecht " behoorde niet tot de groep van Tienen. Het kapitaal was aangebracht door enkele aandeelhouders, waarvan de voornaamste Leon Hardy, bezitter van een paardestoeterij in Wallonië. De eerste directeur was een Franssprekende Vlaming, Vermeiren. Daarna kwamen ook nog De Bruyn en Veys als directeuren. Hierna laten we enkele namen van het ondergeschikte personeel volgen. Bedrijfsleiders: Karel De Vree, Frans Hendrickx, Frans Jacobs. Ploegleiders: Adolf Hendrickx, Jozef Vidal, Gillis, Leander De Lie, Frans Verhulst. Boekhouders: Achiel van Gijsel, Louis van Gijsel, Van Zevecote. Koerbazen: Jacobus Vidal, Louis Hermans. Chemieafdeling: Belpaire, Gummarus Plompen. De fabriek had geen energiebronnen van buitenuit nodig; daarvoor zorgde de uitgebreide stokerij, waar men jaarlijks honderden tonnen gruiskolen verbrandde. Verder beschikte de fabriek over een eigen smidse, electriciteitsinstallatie en schrijnwerkerij. Daarbij kwam ook nog de onontbeerlijke kalkoven, waar kalksteen tot kalk werd verbrand, dienstig voor de zuivering van het bietensap. Van uit economisch standpunt bekeken, was de fabriek een financieel opkikkertje voor de streek. Vele zelfstandigen waarvan het bedrijf niet kon renderen tijdens de wintermaanden, zoals vissers, fietsenmakers en kleine landbouwers, vonden daar een graag meegenomen bijverdienste gedurende het bietenseizoen. Tijdens de campagne kon men wel een driehonderdtal werknemers gebruiken. Een veertigtal bleven het ganse jaar verbonden aan de fabriek voor onderhoud en allerlei karwijen. Moeilijke tijden braken aan in 1930, de crisisjaren. De fabriek legde gedurende vier jaren haar bedrijvigheid stil. Tijdens deze moeilijke periode werd de suikerfabriek van Lillo definitief geliquideerd. Bij de heropening van de suikerfabriek van Berendrecht werd een akkoord bereikt met Tienen, waar de ruwe suiker van dan af geraffineerd werd. Hierdoor verdween het merk " Sucrerie de Beirendrecht ". Grote hoeveelheden bieten werden ook aangevoerd uit Zeeland, maar tenslotte werd de aanvoer van uit Nederland verboden. Men zocht andere productiecentra, die gevonden werden in Wervik en Wetteren. De tweede wereldoorlog legde ook een rem op de productie, namelijk in 1944 toen de ganse Frederik moest ontruimd worden, en de fabriek bezet werd door de Duitsers, waarbij dus onderstreept kan worden, dat de Frederik op dat ogenblik nog altijd een strategisch punt was. Nadien kende men een heropleving tot in 1953, toen de installaties veel schade leden ingevolge de overstroming van februari van dat jaar. In 1956 sloeg het nieuws in als een donderslag bij heldere hemel: de fabriek liquideert. Een onbegrijpelijke beslissing. Maar later bleek, dat men eerder dan de beer op het Solftplein, op de Frederik stadslucht had geroken, en dat een nijverheid als een suikerfabriek, onmogelijk kon weerstaan aan de gebeurtenissen die hierop gingen volgen. Misschien zal er later voor archeologen nog een taak weggelegd zijn, om onder het zeezand, de grondvesten op te delven van een vesting en een fabriek.  

Foto's: F.Hoelen, phot. Cappellen

 

 Bekijk hier de zichten van De Frederik en het suikerfabriek, enkel op beeldmateriaal kan men dit mooie gehucht nog bewonderen.  

E G