|
Uitgave: polderheem 1982
DE FREDERIK. MET HAVEN EN
SUIKERFABRIEK
In 1628 liet Prins
Frederik-Hendrik een versterking bouwen nabij de Schelde, op de plaats die
hierdoor de geschiedenis is ingegaan als De Frederik
". De vesting was
bedoeld als een tegenhanger van Zandvliet, waar de Spanjaarden onder
impuls van Spinola versterkingen aanlegden, waarvan er thans nog
duidelijke resten bestaan. Hoewel in 1786
gesloopt op last van Jozef II, heeft de Hollandse bezetting van het fort
Lillo in 1832 tot daar nog een uitval gedaan, wat laat vermoeden, dat niet
alle versterking was opgeruimd. In 1870 werd er op de
plaats waar de wallen zich bevonden, en aan de monding van de kreek, een
kleine haven gegraven. Gunstig gelegen bij
de bocht van de Schelde, dicht bij de vaargeul, was zij o.a. een
thuishaven voor vissersboten van Berendrechtse en Zandvlietse
Scheldevissers.
In hoofdzaak echter
was de aanlegplaats bedoeld voor de suikerfabriek, die in hetzelfde jaar
werd gebouwd op de vroegere versterking. Het haventje werd
vergroot in 1886-1890 en in 1924. Het was een
noodzakelijk element voor de goede werking van de suikerfabriek:
grondstoffen en suikerbieten konden per schip aangevoerd worden en de
fabriek kon anderzijds pulp en suiker langs de waterweg transporteren. De suikerfabriek had
zelfs een eigen spoor, dat aansloot bij de buurtspoorweg. Maar de boeren uit de
polder verkozen het vervoer met eigen middelen te doen. De suikerfabriek, of
" Sucrerie de Beirendrecht " behoorde niet tot de groep van
Tienen. Het kapitaal was
aangebracht door enkele aandeelhouders, waarvan de voornaamste Leon Hardy,
bezitter van een paardestoeterij in Wallonië. De eerste directeur
was een Franssprekende Vlaming, Vermeiren. Daarna kwamen ook nog
De Bruyn en Veys als directeuren. Hierna laten we
enkele namen van het ondergeschikte personeel volgen. Bedrijfsleiders:
Karel De Vree, Frans Hendrickx, Frans Jacobs. Ploegleiders: Adolf
Hendrickx, Jozef Vidal, Gillis, Leander De Lie, Frans Verhulst. Boekhouders: Achiel
van Gijsel, Louis van Gijsel, Van Zevecote. Koerbazen: Jacobus Vidal,
Louis Hermans.
Chemieafdeling:
Belpaire, Gummarus Plompen. De fabriek had geen
energiebronnen van buitenuit nodig; daarvoor zorgde de uitgebreide
stokerij, waar men jaarlijks honderden tonnen gruiskolen verbrandde. Verder beschikte de
fabriek over een eigen smidse, electriciteitsinstallatie en
schrijnwerkerij. Daarbij kwam ook nog
de onontbeerlijke kalkoven, waar kalksteen tot kalk werd verbrand,
dienstig voor de zuivering van het bietensap. Van uit economisch
standpunt bekeken, was de fabriek een financieel opkikkertje voor de
streek. Vele zelfstandigen
waarvan het bedrijf niet kon renderen tijdens de wintermaanden, zoals
vissers, fietsenmakers en kleine landbouwers, vonden daar een graag
meegenomen bijverdienste gedurende het bietenseizoen. Tijdens de campagne
kon men wel een driehonderdtal werknemers gebruiken. Een veertigtal bleven
het ganse jaar verbonden aan de fabriek voor onderhoud en allerlei
karwijen. Moeilijke tijden
braken aan in 1930, de crisisjaren. De fabriek legde
gedurende vier jaren haar bedrijvigheid stil. Tijdens deze
moeilijke periode werd de suikerfabriek van Lillo definitief geliquideerd.
Bij de heropening van
de suikerfabriek van Berendrecht werd een akkoord bereikt met Tienen, waar
de ruwe suiker van dan af geraffineerd werd. Hierdoor verdween het
merk " Sucrerie de Beirendrecht ". Grote
hoeveelheden bieten werden ook aangevoerd uit Zeeland, maar tenslotte werd
de aanvoer van uit Nederland verboden. Men zocht
andere productiecentra, die gevonden werden in Wervik en Wetteren. De tweede
wereldoorlog legde ook een rem op de productie, namelijk in 1944 toen de
ganse Frederik moest ontruimd worden, en de fabriek bezet werd door de
Duitsers, waarbij dus onderstreept kan worden, dat de Frederik op dat
ogenblik nog altijd een strategisch punt was. Nadien kende
men een heropleving tot in 1953, toen de installaties veel schade
leden ingevolge de overstroming van februari van dat jaar. In 1956 sloeg het
nieuws in als een donderslag bij heldere hemel: de fabriek liquideert. Een onbegrijpelijke
beslissing. Maar later bleek, dat
men eerder dan de beer op het Solftplein, op de Frederik stadslucht had
geroken, en dat een nijverheid als een suikerfabriek, onmogelijk kon
weerstaan aan de gebeurtenissen die hierop gingen volgen. Misschien zal
er later voor archeologen nog een taak weggelegd zijn, om onder het
zeezand, de grondvesten op te delven van een vesting en een fabriek.
|