Berendrechtonline_________________________________________________________________________

 

HET ONTSTAAN VAN HET DORP BERENDRECHT

( Uit het boek: beschryving van het dorp Berendrecht, door  F.G.C DE MEYER ,  1855) 

Het was in zyn begin een gehucht, staende onder het geestelyk Regtsgebied van de hoofdkerk van Antwerpen. In 't jaer 1184 is het eene parochie geworden, en als dusdanig erkend door Paus Lucius III. In 't jaer 1328 is het dorp, uytgezonderd vyf huyzen geheel ten onder gegaen door eene dykbreuk. Alsdan zyn de inwooners van Berendrecht hooger op gaen woonen, te weten, noord waerts,'"aen de andere zyde   van eene beek door welke de parochie van Berendrecht, van die gene van Santvliet afgescheyden wierd, tot dat er  in het volgende jaer 1529, eene nieuwe liniescheyding tusschen Santvliet en Berendrecht, is gemaekt geworden,  waerdoor vele gronden tot dan toe aen Santvliet toebehoorende, aen Berendrecht zyn vereenigd geweest. Berendrecht is ook vermaerd om een kapelleken, toegewyd aen de allerh. Maegd en Moeder Gods Maria, tot welke de geloovigen zelfs uyt verafgelegene plaetsen, hunnen toevlugt nemen, zoo als men in dit werk breedvoeriger beschreven zal vinden.

-----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

( uit het boek: Geschiedenis en merkwaardigheden van Berendrecht, geschreven door C.ADRIAENSSENS  1939 )

Het markgraafschap Antwerpen, waaronder ons dorp viel, behoorde achtereenvolgens tot het Romeinsche, Frankische en Duitsche rijk ( 1 ) . De keizer van Duitschland bezat er de twee derde der tienden, doch stond zijne rechten af aan zijn leenmannen, de markgraven van Antwerpen, ( Hertogen van Brabant). Het waren deze hertogen die zich bezighielden met de indijkingen. Niettegenstaande de algemeene indijkingen van het zoogenaamd Waterland, dit is van de slikken, schorren en aangespoelde gronden in de omstreken van Antwerpen aan de Brabantschen oever; gelijk men beweert reeds in 1037 hadden aanvang genomen; zoo vorderden in het begin deze werken maar zeer traag en werden soms onderbroken, dan weer hernomen, zoodat deze algemeene werken slechts geëindigd zouden zijn geweest tegen het einde der elfde of bij het begin der twaalfde eeuw. Deze ingedijkte landen leverden goede gronden op, zoowel voor den akkerbouw als voor het aanleggen van weiden, zoodat deze polders allengskens bewoond werden en er gehuchten en later dorpen ontstonden. Alzoo ook is het dorp - Berendrecht ontstaan aan de lage landen of poldergronden bij de Schelde in de Xle eeuw, en wel bij een voorwerp: " de Ber" of " de Beren " geheeten en welke stond omtrent een drecht of overvaartplaats. Bij verloop van enkele jaren was de bevolking zoodanig aangegroeid, dat Berendrecht reeds ten jare 1095 als een gehucht werd aanzien, waar ook een kapel stond. 

( 1 ) Maar het was zoo los daaraan verbonden, dat het voortaan een eigen geschiedenis kreeg, grootendeels onafhankelijk van de Duitsche. (Elias v. Stabrouck. ) .

Waar lag toen het dorp ?

Het dorp of liever het gehucht lag toen op een zeegrond tusschen de ingedijkte landen en de dorpsbeek, dit is, in de laagte, loopende van de Bremweide tot de plaats waar nu de Meestoof is, en zich noordwaarts uitstrekkende tot aan de dorpsbeek. Immers, men weet zoo bij overlevering als bij ontdekking van oude grondleggingen, dat er eertijds huizen gestaan hebben omtrent de Meestoof en Neerhoef, (De dorpsbeek, hierboven vermeld, vormde eertijds de scheidingslijn tusschen Berendrecht en Zandvliet voor 1329). Zij loopt thans nog door het dorp: ze komt vanuit het Oosten naar de Breedestraat, loopt onder de Papenstraat en de Dorp straat en slingert langsheen de Stoofstraat naar het Sluisken. Het dorp was toen niet alleen westwaarts zooals nu, maar ook zuidwaarts bespoeld door de Schelde. Immers tot op heden toe ziet men nog de teekens van een dijk, die voorheen gelegen was op de scheidingslijn Berendrecht-Lilloo ( weg der 2 boompjes naar de Piep) en welke dijk, wanneer de polder van Lilloo nog geheel of tenminste gedeeltelijk nog dreef, een zeedijk was. Deze dijk kwam eertijds van oostwaarts, van de plaats "Den Opstal" genaamd, vroeger onder Zandvliet en nu onder Beren- drecht, en liep tot een weinig ( zuidwaarts) voorbij de plaats waar nu de Neerhoef staat en zoo door de Goudhoeken tot aan de dijken van Zandvliet, t.t.z. zich vereenigde met den Ouden Dijk, waarvan men thans nog overblijfsels ziet. Het kleine dorp bestond meestal uit hutten van hout of riet met klei bestreken en waren voorzien van een strooien dak. Van het aantal inwoners weet men niets af, doch deze moeten niet talrijk geweest zijn gezien de kleine oppervlakte der dorpskom. Antwerpen was alsdan nog niet die schoone en vermaarde stad zooals nu. Ze was enkel een burcht en had maar één parochiekerk, die van St. Michiels, met eenige onderhoorige kapellen zooals die van St. Walburgis binnen de burcht en die van de gehuchten Zandvliet, Lilloo, Berendrecht, Oorderen, enz. Wat de kapel van Berendrecht (evenals van de andere ingedijkte plaatsen) aanging, deze werd Scraena genoemd. Ze was aanvankelijk van ronden vorm in hout opgetimmerd en voorzien van een kegelvormig strooien dak. Ze werd bediend door een kapelaan aangesteld door den pastoor der St. Michielskerk met een door hem bepaald geestelijk recht (Diercxsens Antverpiae) en met toestemming van den bisschop van Kamerijk. De vraag is nu, op welke plaats van Berendrecht deze kapel moet gestaan hebben? De kapel moet gestaan hebben op of omtrent waar nu de Meestoof is en dit wordt gestaafd hierdoor :

I. -Dat Berendrecht aldaar zijn begin heeft genomen of eertijds aldaar het meest bewoond was.

2. -omdat de weg loopende van de Frederik tot aan de gemelde Meestoof, vroeger Kapelweg genoemd werd, gelijk men nog kan zien op de oude polderkaarten.

Na het teniet gaan der kapel (1328) heeft deze weg den naam gekregen van Zwanenweg terwille van een herberg aldaar gelegen "De Zwaan" genaamd. Deze herberg is thans ook verdwenen. De ingedijkte landen behoorden den dapperen Godfried van Bouillon, hertog van Brabant en markgraaf van Antwerpen. Deze hertog betrok de tienden der landvruchten der ingedijkte landen. Van deze laatsten voorzag hij in het onderhoud der kapellen en hun bedienaars. Volgens sommige schrijvers ( Butkens o .a. ) verhalen, verhief Godfried van Bouillon in 1095, in zijn hoedanigheid van Markgraaf van Antwerpen (alvorens naar het Heilig Land te trekken als hoofd van den eersten Kruistocht) , de parochiale kerk van St. Michiels aldaar tot Collegiale, en stichtte daar tevens een kapittel van Twaalf Kanunniken, welke hij begiftigde met de tienden der landvruchten tusschen de Santflieten en Olmerernuthen: dit is van Zandvliet tot aan den Olmendijk tusschen Gosterweel en Merksem. ( 2 ) Tengevolge hiervan kwamen de tienden onder Berendrecht aan het Kapittel van Antwerpen (St. Michielskerk) en de kapel van Berendrecht werd alzoo aan hetzelfde kapittel onderhoorig. Het Kapittel moest nu voortaan voorzien in het onderhoud van de kapellen en bedienaars. ( de tienden waren een soort belasting op de landvruchten die het kapittel hief, en dan de geestelijken betaalde). Bij het overlijden van Godfried van Bouillon in 1100, werd door zijn opvolger, Hendrik van Limburg, in het markgraafschap zijn stichting niet geëerbiedigd. Toen deze in 1106 stierf, volgde Godfried met den Baard, zijn voorbeeld en eigende zich de bedoelde tienden toe. Alhoewel het kapittel er zich tegen verzet had, behield hij ze onrechtmatig, totdat in I II 6 door de tusschenkomst van Buchardus, bisschop van Kamerijk, aan deze betwisting een einde werd gesteld. Zoo kwam het Kapittel van St. Michiel terug in het bezit der tienden en kreeg alsdan ook van den bisschop het personnaat over de hoofdkerk (St. Michielskerk). Het was krachtens dit recht dat het reeds in 1124 de beslissing nam in die gehuchten, waar de bevolking steeds aangroeide, de kapellen tot parochiekerk te verheffen, en benoemde alzoo onzen eersten pastoor. Sinds het Kapittel terug in het bezit was van zijn rechten, kon het zich wederom den godsdienst ter harte nemen en de kapellen steunen. Want intusschen (1100-1116) had de ontevredenheid der kanunniken de verwaarloozing hunner plichten bevorderd; de godsdienst was verslapt en de zeden ontaard, en tot overmaat van ramp had Tanchelmus zijn dwaalleer te Antwerpen en omgeving en in den polder ingang doen vinden.

( 2) Hendrik V, keizer van Duitschland. bekrachtigde deze gift in 1119.  

 -----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

 

( Uit het boek: Antwerpen tussen polder en haven, geschreven door LUTGART BREDAEL )

Berendrecht ontstond uit het waterland rond het jaar 1050. Gebouwd op zandkleigrond lag het tussen de ingedijkte landen en de Dorpsbeek. De naam Berendrecht wordt een eerste maal vermeld rond 1124 Drecht «raiectum», betekent overtocht. Het duidt op de ligging van het dorp aan de stroom en oversteken moet mogelijk zijn geweest (Beren), het eerste lid van de samenstelling, zou te maken hebben met de benaming van een landgoed dat bij het veer lag. In 1184 werd Berendrecht een zelfstandige parochie en in 1320 telde deze parochie duizend zielen, verspreid over een driehonderd woningen. Het dorp werd regelmatig verwoest en te drooggelegd steeds hernam het leven zich. 

------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------

( Uitgave : Polderheem 1982 )

WAAR DE GESCHIEDENIS BEGINT , OP SENTE GEERDENEN GROND

Het kleine brokje lands, ingesloten tussen het Waterland en begrensd door de Dorpsbeek, behoorde tot een grotere eenheid, die wegens zijn dun bezaaide bevolking en woeste grond, braakland of Brabant genoemd werd. Daar situeert men Berendrecht, nader omschreven, in West Brabant. De tienden waren in handen van de Keizer van Duitsland. Hij gaf ze in leen aan de Hertogen en Markgraven. Godfried van Bouillon, de laatste hertog van Lotharingen, schonk ze omstreeks 1096 aan de kerk van Antwerpen, men zegge beter, restitueerde ze, als we ons verplaatsen in de investituurstrijd. Bedoeld worden hier, de tienden van Antwerpen " et ejus ambitu", en zijn omgeving. Men kan er Berendrecht onder verstaan. Hertog Hendrik van Limburg, een Ghibellijn, erkent de afstand van zijn voorganger niet, maar zijn opvolger, Godfried I van Leuven, schonk de tienden terug in 1114-1119. Hij verzoekt tevens Keizer Hendrik V van Duitsland, de tienden van geheel het waterland van Zandvliet en bijliggende kapellen van Lillo, Berendrecht en Oorderen tot Olmermuthen, d..i. de monding van de Olme of Laarse Beek, te geven aan het Antwerps kapitel. Deze gegevens danken we de Bisschop van Kamerijk, Burchard, die in 1114 werd gewijd. De gift wordt geacteerd in de akte van 21.11.1119, in dewelke de naam Berendrecht voor de eerste maal verschijnt. Het hertogdom Brabant is gegroeid uit het graafschap Leuven. De graven van Leuven hebben in de 11e en 12e eeuw de gelegenheid gehad hun gezag over andere gebieden uit te breiden. In hun invloedssfeer lag ook het land van Breda, een nalatenschap van Ansfried, een der Lotheringse groten. Hij werd geboren omstreeks 940 en was een rechte neef van de Duitse Keizer, Otto I, de Grote. Toen hij in 955 bisschop van Utrecht werd, na het overlijden van zijn echtgenote Hereswith, viel er een deel van zijn bezittingen toe aan zijn verwanten te Leuven. Benevens het graafschap Leuven omvatte de invloedssfeer ook de voogdij over het oudste Brabantse klooster, in de 7e eeuw gesticht te Nijvel door Pepijn van Landen, wiens dochter Gertrudis (º Landen 626, Nijvel 659) daar abdis werd. Daarom moeten we besluiten, dat West-Brabant, waartoe ook Berendrecht behoorde, in de verste geschiedenis aan Sint Gertrudis heeft toebehoord. Deze vaststelling wordt des te meer gestaafd, wat betreft Zandvliet, waar Sint Gertrudis patroonheilige is.  

 

E G