|
( Uitgave: Polderheem 1982)
Er bestaat
geen enkele windmolen meer, die nog in staat is tot het malen van graan.
De enige die
nog overeind staat en die grondige herstelling nodig heeft om te kunnen
overleven, is de Westmolengeest, eigendom van Alfons van de Moer tot in
1981. Hij werd
gebouwd in het jaar 1822. Naast
baksteen en hout, kalk en cement, werd er ook roggemeel als bouwstof
gebruikt.
Niet ver van
daar stond vroeger een houten molen, de Oostmolengeest, die volgens oude
kaarten o.a. van 1748 stond aan de wijk, thans in de volksmond gekend als
de negerwijk, omdat de woningrijen zo laag zijn, wat niets afdoet aan het
comfort dat deze huizen bieden.
In deze wijk
staat ook nog een klein polders monument, nl. de schandpaal van
Wilmarsdonk. De
Westmolengeest werd gebouwd door de Berendrechtse aannemer Royers. De familie
Philips verkocht hem in 1895 aan Piet van de Moer en in 1905 ging hij over
in handen van zijn broer Antoon. Tot in 1947
heeft hij gewerkt, meestal tijdens de daguren, maar ook tijdens de
nachtelijke uren, wanneer er veel graan op de molen lag te wachten, na
perioden van windstilte. "
Hoe ge 's nachts durft malen ", zei een bijgelovig vrouwtje, "
weet ge dan niet, dat 's nachts de heksen hand in hand rond de molen
dansen ". Een variante op het verhaal van de heksen van Zandvliet,
die tijdens de nachtelijke uren hand in hand rond de kerk dansen. Zeer
actief was de molen tijdens de laatste wereldoorlog; er werd gemalen
volgens de officiële normen, maar ook in 't zwart, graan dat gekocht werd
op de " zwarte markt " om het karig broodrantsoen van 225 gram
aan te vullen. Van
september tot oktober 1944 was alle contact met het overige deel
van het land verbroken, ingevolge de krijgsverrichtingen. Toen
was de molen de enige leverancier van meel voor het broodbakken. Immers,
het dorp was zonder energiebronnen, zodat alleen de wind als krachtbron
kon worden aangewend. Thans
is het zeer stil om en op de molen geworden, maar zolang er leven is, is
er hoop dat hij zijn vroegere glorie zal herwinnen. Die
hoop zou kunnen bewaarheid worden, want in 1981 heeft Antoon Verbraak uit
Kalmthout hem aangekocht tegenover de familie Van de Moer.
Met
behulp van officiële instanties, met tijd en geduld, kan dit Berendrechts
exemplaar, nog enig in zijn soort, zijn herstelling tegemoetzien.
Op
het Solftplein stond een stenen molen. De
buitenmolen en de Solftmolen hoorden toe aan dezelfde eigenaar, Carolus
Verbeeck-Bresseleers van Stabroek- Putte. De
familie Philips uit Berendrecht kocht de West-molengeest en nam de
Solftmolen in huur. Deze
werd achtereenvolgens verkocht aan Vochten, Bode en Helsen uit Kapellen. De
familie Vochten woonde in de molen. Louis
Vochten was geboren te Brecht op 22 februari 1852 en overleed te Merksem
op 20 december 1925. Voorheen
was hij molenaar te 's Gravenwezel. Het
gelijkvloers was als woning ingericht, waar de molen een doorsnee had van
10 meter. In
het deurportaal kon een kar staan. In dat portaal werd café of estaminet
gehouden. Aan
tafel had ieder een beperkte plaats. De
kinderen hadden hun slaapvertrek achter de meelbakken, onder de trap of
naast de graanzolder. Om
klederen op te bergen was er niet meer dan één kleerkast; ieder had
slechts één stel zondagse kleren. Verder
was er naast de molen een bergplaats gebouwd, waar allerlei gerief kon
geborgen worden en waar een stootkar stond. Op
de gaanderij werden kippen gehouden, en van hieruit schouwde men over de
toppen van de bomen.
In
1913 sloeg de bliksem in en dit betekende het einde van de Solftmolen. Het
afbraakmateriaal kwam terecht in Stabroek, bij de familie Taeymans, een
familie van metsers, die er woningen mee bouwden.
De
molen is weg, maar de grond ligt er nog, zo zouden de Engelsen het
humoristisch uitdrukken. Wanneer
we dan tegenover de Solftplein, in de huidige Dorpstraat een herberg
konden situeren, waar het uithangbord luidde " In 't Molenzicht
" dan kunnen we maar al te goed de logica van deze herbergier
begrijpen: een beter zicht op de molen had men nergens.
Bekijk
hier
enkele foto's van de molens.
|