|
BIJNAMEN
In een
zeldzame sportieve opwelling, gebeurt het wel eens dat ik op een
vroege zomermorgen op mijn fiets spring en een tochtje door de
verlaten straten van mijn nog in diepe rust gedompeld dorp maak.
Ongewild gaan mijn gedachten dan altijd weer uit naar mijn jeugd en
mijn dorp van vroeger. Een dorp waar de tijd leek stil te staan,
waar men elkaar enkel met bijnaam kende, en waar het in de herfst
naar verbrand patattenloof en open haardvuur begon te ruiken. En zo
vind ik nog wel iets op de winter en de andere seizoenen.
Een dorp
ook waar men voor elkaar opkwam en in tijden van nood de rangen
sloot.
Zo herinner ik mij de grote dijkdoorbraak van februari ‘53
toen bijna de halve gemeente onder water was gelopen en de ganse
bevolking dag en nacht zij aan zij in de weer was om het brakke
water uit mekaars huizen te houden.
Dan zie ik Jaakske Stuyts en
zijn mannen van de ‘ burgerbescherming ’ weer wanhopig vechtend met
zandzakjes in het gat van de Berendrechtse dijk.
Ik zie weer
doelloos ronddolend vee op de Solftplaats en ronddrijvend stro en
wrakhout in de Kerkstraat.
Als ik er nu nog maar aan denk hoe onze
samenleving op korte tijd zo oppervlakkig en individualistisch is
geworden, krijg ik er een onbehaaglijk gevoel bij.
Iedereen loopt op
de toppen van zijn zenuwen en we kennen bij manier van spreken onze
naaste buur niet meer, alhoewel ik geef het toe, dat vroeger ook wel
eens het geval kon zijn.
Zo gebeurde het dat er op een mooie dag
eens een hoge piet uit Brussel voor onze deur stond die vroeg of wij
wisten waar een zekere Louis Brands woonde. Hij moest die Louis in
naam van de koning een médaille van laureaat van de arbeid komen
opspelden, zegde hij.
Na lang en diep nadenken moesten wij hem
echter teleurstellen, niemand van ons kende ene Louis Brands. Zelfs
mijn grootmoeder, die bij hoge uitzondering haar uilenbrilletje had
afgezet, -dat deed ze altijd als ze beter moest nadenken-, kon
‘menjeer uit Brussel’ met de beste wil van de wereld niet helpen,
zegde ze.
Er woonde wel een Louis naast ons had mijn moeder nog
vertwijfeld geprobeerd maar die heette Van Propkes met zijn
familienaam, dus die kon het zeker niet zijn.
Groot was dan ook onze
verbazing toen ‘s anderendaags een trotse buurman met een blinkende
médaille van laureaat van de arbeid op zijn révers bij ons binnen
stapte. “Ha gij zijt dus die bewuste Louis Brands !”, ik hoor het
mijn grootvader nog altijd een beetje ongelovig en verbaasd
uitroepen.
Het bleek dus dat onze buurman Louis al bijna heel zijn
leven naast ons woonde zonder dat wij zijn echte familienaam kenden.
Voor ons was hij simpelweg altijd Louis Van Propkes geweest en wij
hadden ons daar verder nooit vragen bij gesteld, punt uit.
Bijna
iedereen in onze kleine gemeenschap had in die tijd een bijnaam en
eenmaal je die had, maakte hij deel uit van je ‘erfenis’ en werd hij
doorgegeven aan de volgende generaties.
Zo kon het wel eens gebeuren
dat iemand op den duur de trotse, of in sommige gevallen de minder
trotse bezitter, van een ellenlange bijnaam was geworden. Namen als
Jef van Louis van Peer van Spelleskes of Rik van Marie van Frans van
Kloontjes waren in ons dorp toen helemaal geen uitzondering en
werden als vanzelfsprekend beschouwd.
Spijtig genoeg is die traditie
met de komst van de industrie en de vele inwijkelingen naar ons dorp
een beetje aan ’t verdwijnen.
In die optiek beseffen wij maar al te
goed dat wij zo stilaan de laatste getuigen aan ’t worden zijn van
dit oeroud gebruik dat weldra tot de geschiedenis zal behoren.
Zo
zou ik er geld voor willen geven om Jef van Juinen nog eens vechtend
tegen de wind, met zijn triporteur vol melkbussen, door de straten
te zien rijden.
Om nog eens bij Zjouw Prop of bij Tilleke de Groen
voor 5 frank een grote puntzak heerlijk geurende zwarte borstbollen
of 100 gram sneeuwballekes te kunnen kopen. Ik zou nog wel eens
terug 15 willen zijn om dan met kloppend hart bij Jan Plak op de
Zandkeet binnen te kunnen stappen en stiekem mijn eerste pakske
Belga van 10 sigaretten te kopen.
Ik zou mijn moeder nog wel eens
gezellig keuvelend aan ’t groentekarretje van Pjeer van Poerten
willen zien staan. Dan zou ik haar weer een kilo raapkes zien kopen
die ze dan heel voorzichtig in haar schort of in de ‘ Volksgazet ’
van gisteren zou laten doen, want verpakkingen waren erg zeldzaam en
met de bestaande moest heel zuinig worden omgesprongen.
Ik zou ’t
nog wel eens willen beleven, een lichtjes benevelde en uit de pas marche rende fanfare, die met een glunderende Stafke Rivière en de
vlag op kop, van café naar café trekt.
Zo herinner ik me ook nog Nel Snassel, een iel schichtig besje dat met een soort kolenemmer op
haar frêle rug met krekels van deur tot deur leurde. Ik zie haar nog
altijd, zuchtend en krom gebogen onder het veel te zware gewicht van
die emmer, in ’t gat van onze staldeur staan, en hoor haar nog
altijd roepen, ”krekels Meriej ?” Waarop mijn moeder om de veertien
dagen terugriep, “vandaag nie Nel, volgende week !”
Ik zou ze
allemaal nog wel eens willen terugzien, al die kleurrijke figuren
die mee de geschiedenis van ons dorp hebben helpen schrijven: Kotje
den Beir, Zander van de Rund, Nellis van de Kop, Net van Tonnekoek,
Mie van Loederen, Carlien de Schreef, Neleke den Hannek, Pjeer van
Wieteren, Keeske den Balk, Gust van Jef den Doven, Sooi van
Knikkeren, Ward van den doven Brand, Kaat Saai, Kotje Vet……, en zo
zou ik nog wel een tijdje door kunnen gaan.
Maar mijn grootste wens
zou zijn om Marie van Frans van Caramellen nog eens te mogen
omarmen, een buitengewoon sterke zorgzame moeder die ‘onder den
oorlog’ met drie kleine kinderen ‘achterbleef ’ en er ondanks alle
tegenslagen toch nog in slaagde het hoofd boven water te houden.
Ze
is er al vele jaren niet meer, mijn moeder, maar als een van die
drie ‘achterblijvers’ hoef ik mijn ogen maar te sluiten om haar weer
aan ’t groentekarretje van Pjeer van Poerten een kilo raapkes te
zien kopen.
En ik weet ’t nog zeker, het was een zelfgemaakte zwart
gebloemde schort, met een grote strik langs achter geknoopt.
Een
betere en duurzamere verpakking werd ondertussen nog altijd niet
uitgevonden!
Hendriks Jos
|