|
De polder
De lucht is hemelsblauw en zuiver, hier en daar een veeg grijs
om de eentonigheid te breken? Hoewel, honderden cumuluswolken
vervullen reeds deze rol. Grote spierwitte wolken die met de
snelheid van een roetsjbaan uit noordwestelijke richting het
landschap indrijven maken het beeld van "het platte land"
van Jacques Brel compleet.
Onder een eenzame boom in de polders langs de kust staat Jef
Bunders. Bedachtzaam doet hij zijn regenpak uit waar langzaam de
laatste druppels van een fikse regenbui afdruipen. Zorgvuldig wordt
het pak opgeborgen in een van de fietstassen en dan stapt Jef op het
veld. Hij bukt zich, neemt een kloot natte aarde en ruikt er aan.
Niet zo maar oppervlakkig, nee, hij steekt zijn neus bijna in het
zand en snuift als een oud boerenpaard. Luidop, alsof hij in gesprek
is met iemand zegt hij: "Goeie grond, verdomme rijke
grond", waarop hij de aardkluit weer tussen zijn makkers gooit.
Met steeds dezelfde langzame bewegingen neemt hij een zwaar
statief uit een karretje dat achter zijn fiets hangt. Het wordt met
de grootste zorg opgesteld, gecontroleerd op stabiliteit alvorens
hij zijn technische camera tevoorschijn haalt, die op professionele
manier verankerd wordt op het statief. Alsof Jef een oosters ritueel
uitvoert neemt hij een lichtmeter en begint met de grootste zorg het
licht te meten. "250 op 11", zegt hij met dezelfde luide
stem waarmee hij de grond loofde.
Nadenkend wordt de camera ingesteld. "Snelheid 250,
diafragma 11", klinkt weer de stem. De foto heeft hij als
volleerd fotograaf reeds in zijn hoofd gekadreerd, zodat het juist
instellen slechts een fluitje van een cent is. Nadat hij vanonder
het zwarte doek komt, wat valse lichtinval moet voorkomen, drukt hij
vastberaden de ontspanningsknop in. "Klak", doet de
camera, wat blijkbaar een teken is voor Jef om volledig op te gaan
in het net gemaakte beeld. Het is bijna grappig te zien hoe Jef als
bevroren voor zich uitstaart. Onbeweeglijk, rechtop, blik vooruit
naar de einder gericht. Zoals hij daar staat, lijkt hij wel een
soldaat op wacht.
Jef herinnert zich nog goed zijn jeugd, de tijd in de polders van
Berendrecht waar hij geboren werd. Als zevende en laatste kind van
boer Bunders werd hij net na de oorlog geboren. Gelijk verdeeld had
hij 3 zussen en 3 broers, zijn vader Jos, zijn moeder Gusta, zijn
grootvader va Jul Bunders, en 2 honden, Bella en Bas, die meer dan
alle andere dieren deel uitmaakten van het gezin.
Zonder teveel toegevingen te doen aan "de Duitser" was
de familie Bunders de oorlog doorgesparteld. De hoeve was gespaard
gebleven van bommen en granaten, hoogstwaarschijnlijk omdat na
elkaar een hoge Duitse en later bij het keren van het tij een even
hoge Engelse officier een deel van het woonhuis had opge‘ist.
Reeds heel jong was Jef zijn grootvader overal beginnen volgen.
Ging va Jul melken, Jef trok mee. Ging va Jul ploegen, Jef ging mee.
Op de buis van de fiets, of op de kar, getrokken door Lisette het
boerenpaard, steeds was Jef waar va Jul was. Iedereen in het dorp
wist dat Jef de grote troost was voor Jul, die net voor de geboorte
van "de kleine" zijn vrouw had verloren. "Va Jul en
zijn schaduw", zo kende iedereen hen.
Van va Jul had Jef geleerd dat de aarde niet enkel een bol is
waarop wij mogen rondlopen. "Luister manneke" had va Jul
meermaals gezegd, "de aarde daar moeten wij mee oppassen,
zorgzaam zijn, koesteren, dat is ons leven. Als dat stuk is, gaan
wij er allemaal aan, allemaal!" Honderd maal had Jef va Jul
deze wijsheid horen verkondigen.
Eind jaren '50 was heel de Antwerpse polder in opschudding
gekomen. Enkele politiekers uit Brussel hadden beslist dat Antwerpen
zijn haven moest uitbreiden om de economie beter te laten draaien.
De polderdorpen moesten verdwijnen. Wilmaarsdonk, Oorderen,
Zandvliet, Berendrecht. Hoevenen ontsnapte net, maar de rijke vette
poldergrond kwam onder de schaduw en dampen van een wereldhaven te
liggen. Er werd gevloekt, maar vooral geweend. Het groot kapitaal
had ruimte nodig, de boerkes moesten wijken. Natuurlijk werd er toen
nog niet zo gedacht. Vlaanderen was nog eigendom van de kerk en
meneer pastoor vertelde 's zondags tijdens de preek verhalen die
goed in het oor lagen bij de rijken maar de gewone man geen uitkomst
boden. Mei '68 was nog ver toen va Jul de 12-jarige Jef op de kar
nam. "Kom jongen, wij gaan naar den hoek". De hoek was het
verste stuk grond dat de familie Bunders bezat. Een uur rijden met
paard Lisette bracht hen ernaartoe.
Jef en va Jul sprongen van de kar recht in de zwartblauwe
poldergrond. "Miljaarde, miljaarde", kafferde va Jul,
"het is godverdomme niet mogelijk, wat doen die sinjeurs in
Brussel met onze aarde? Weten die dan niet dat hier de grond vol
goud steek?". Va Jul pakte een reuzenkluit zwarte grond.
"Dedju, dedju, riekt dan toch jongen, puur goud. Dat is water,
dat is zand, dat is mest, rijkdom en leven en die schoon meneren
gaan daar een dok in graven". Bruusk stak va Jul de kluit aarde
onder de neus van Jef. "Dit is eten en drinken. Dit is een stuk
van een heilig huwelijk. Onze aarde en de hemel dat is ŽŽn, dat
verdient ons respect jongen. Pak vast en voel hoe dat voelt. Zet je
twee voeten in de grond. Voel je niet dat je groeit? In deze grond
kan je reuzen kweken".
Jef had het stuk grond aangepakt en geroken, zoals hij reeds
zoveel malen net als va Jul aan grond had geroken. Hij kende perfect
de geur van poldergrond en hij wist ook dat niets zo lekker rook.
Als je een stuk poldergrond in je hand had dan kon je de kracht
voelen. Op een prentje van een chocoladewikkel had hij gelezen dat
in Egypte een god bestond die mensen maakte uit aarde. Een rare
kwast met een hoofd als een ram. Hij had daarna in de les godsdienst
aan de meester om meer uitleg gevraagd over de god Chnoem. Ho, was
die kwaad geworden. Zijn hoofd was rood aangelopen als een overrijpe
tomaat. "Er is maar ŽŽn God, ga maar naar meneer pastoor
biechten. Jezus in de hemel nog aan toe!", waren de woorden
waarmee Jef uit de klas werd gezet. Natuurlijk was zijn vraag dom
geweest. De meester zong elke zondag op het hoogzaal tijdens de
hoogmis. Het was normaal dat die maar voor ŽŽn god kon zingen, hoe
kon hij anders nog meester zijn tijdens de week?
Door toedoen van va Jul had Jef, uitzonderlijk voor die tijd,
niet te veel ontzag voor God en meer van die verhalen die mensen
onderdrukken. "God", had va Jul gezegd, "ik zal hem
je laten zien." En ze waren naar het midden van hun grootste
veld gegaan en va Jul had hem opgedragen nu langzaam rond te
draaien. Niet als een tol of een gek, maar langzaam als een chique
madam op de TV. "Al wat je ziet en niet door mensenhanden is
gemaakt dat is god en alle verhalen over engelen, duivelen, hemel en
hel is flauwe kul om mensen te verknechten. Vergeet dat nooit in
heel je leven", waren de woorden van va Jul. Jef, hoewel nog
een kleine snotter, had het begrepen en vanaf dan had hij nog weinig
interesse in godsdienst op school, waar meneer pastoor die elke dag
passeerde niets liever deed dan de kinderen bang te maken met de
hel.
Jef gooide de kluit aarde terug op de grond. "Va", zei
hij, "papa zegt toch dat wij een nieuwe boerderij gaan kopen in
de Kempen?". Even aarzelde va Jul voor hij antwoordde, "De
Kempen daar is geen aarde, daar is geen grond, daar is enkel zand.
Als je daar een ploeg aanslaat dan stuift het zand rond je kop. Daar
moet ons paard Lisette een motorbril opzetten om de ploeg te
trekken, zoveel stof. In zand mijne jonge daar krijg je geen enkele
biet in groot". Jef zag dat hij niet moest lachen met de
opmerking van va. Zijn gezicht had plots groeven als een pas
geploegd veld. Het leek of va plots 20 jaar ouder was geworden.
Uiteindelijk was het gezin verhuisd naar de Kempen, naar een
mooie boerderij maar met opmerkelijk minder grond. De ministers uit
Brussel hadden geen goede prijs gegeven voor de boerderijen -
waarschijnlijk omdat zeeschepen toch niets kunnen aanvangen met
poldergrond.
Twee weken had va Jul met de kleine tractor rondgereden op de
nieuwe velden. Elk vrij ogenblik was Jef meegegaan. Bijna als spion,
zoals in de films op TV. Moeder had gevraagd om va Jul in het oog te
houden, want hij deed wat raar.
Ook hier had va Jul een hand grond gepakt. "Kijk toch eens
manneke", had hij tegen Jef gezegd, "dit is geen aarde,
dit is zand. Dat loopt door je vingers als water. Dat is goed om een
schuur te metsen of een mes te slijpen, maar kijk, dood, jongen, dat
is dood." Daarna waren ze naar huis gereden, daar had va Jul
zich op een stoel gezet en gezegd tegen zijn schoondochter,
"Het is gedaan Gusta, ik ben met pensioen." Veertien dagen
later was hij dood.
Veel van de vroegere buren waren op de begrafenis. Allemaal
spraken zij over een oude eik die men niet mag verplaatsen, maar Jef
wist wel beter. Va Jul miste de kracht van de poldergrond. Hij kon
niet gedijen op zand.
Jef was geen boer geworden. Hij had gewoon zijn humaniora
afgemaakt en was dan een stomme job gaan doen. Wel een werk waarvan
hij niet te moe werd en veel vrij had, zodat hij de hele tijd kon
lezen over de natuur, over de aarde. Reizen deed hij nooit, want de
nabije omgeving had zoveel te bieden dat een mens dat in heel zijn
leven niet kon zien.
Toen Jef 52 was werd er gereorganiseerd in het bedrijf. In plaats
dat de vakbonden met hun grote muil de mensen verdedigden,
aanvaardden zij dat jonge mensen van nog geen 55 uitgerangeerd
werden. "Vervroegd op rust gesteld" noemde men dat. Jef
had niet getwijfeld, nam zijn "gouden handdruk" aan en was
terstond verhuist naar de polders aan de zee. Hoe ouder hij werd,
hoe meer hij leerde over de aarde, des te meer dacht hij terug aan
va Jul. "De aarde dat is ons moeder", dacht hij dan,
"dat is god en al zijn engelen, dat is leven".
Elke dag, zoals vandaag trekt Jef de natuur in. Soms te voet,
soms met de fiets, steeds met zijn camera. En als hij dan zoals nu
met zijn voeten in de poldergrond staat, denkt hij altijd, "dit
is puur goud, dit mag nooit verdwijnen". Dan krijgt hij tranen
in zijn ogen, maar dat zal wel van de wind zijn.
J.L.M. SCHRAM
|