|
DE ROSSE
VOGELVANGER
Als er
een figuur is geweest in de geschiedenis van Berendrecht die mij vanaf
mijn jeugd altijd is blijven intrigeren en waarrond er steeds een waas
van geheimzinnigheid is blijven hangen, is het wel de rosse Félix of
de rosse vogelvanger geweest.
Voor de grote overstroming van 1953
woonde hij in een gammele schuit die in een verlaten hoekje van het
haventje van de Frederik lag gemeerd.
Toen zijn bootje dat jaar door
de stormwind aan diggelen werd geslagen en hij het er toch nog wonder
boven wonder levend had afgebracht, had hij moedig het weinige dat nog
heel was gebleven bijeengezocht en zijn intrek genomen in een
afgedankte bunker op de Scheldedijk.
Naast de bunker had hij een zelf
ineengetimmerd stalleke gebouwd waarin hij een paar konijnen hield en
een varken vetmestte. Binnenin de bunker had hij van riet gevlochten
kooien opgehangen met daarin de schoonste zangvogels die hij had
gevangen. Putters, appelvinken en goudvinken wriemelden er door elkaar
en vulden de bunker met hun mooiste gezangen.
Zijn drinkwater haalde
hij uit de beek beneden aan de dijk. Daar zat al wel eens een
‘schotelviske’ (kleine zwarte waterkever) of een ‘schaatsenrijder’
(insect dat zich snel over ’t water beweegt) in, die dan mee werd
gedronken of gekookt, maar dat vond hij niet erg,integendeel “dat
schuurde de maag”, zegde hij.
Zijn karige maaltijd kookte hij op een
krom roestig houtstoofke en bestond meestal uit wat paling of wat bot
met aardappelen en een handvol lamsoor dat hij in ’t schor had
getrokken. Dat stoofke hield hij aan de gang met aangespoeld hout dat
hij na elke zware storm maar voor ’t oprapen had in de slikken. Af en
toe kreeg hij een zakske patatten van Stan Van Meir, de enige boer op
de Frederik, of wat verse groenten van Petrus Crijnen van de hoeve aan
den Ouwen Dijk tegen Zandvliet.
In de herfst stond er al eens een haas
of een wild konijntje op het menu dat hij had kunnen verschalken in de
polder van de Goudhoek. In den Bamis, -vanaf 1 oktober volgens Van Dale- gebeurde het wel eens dat hij de ‘keponnie’ (bietencampagne) meepikte
op de suikerfabriek. Maar dat deed hij zeker niet alle jaren want “
hij hield van zijn vrijheid en hij voelde zich niet graag
gebonden”,zei hij altijd.
In ’t dorp van Berendrecht kwam hij zelden
of nooit en als hij er al eens kwam was ‘t niet verder dan tot op de
Zandkeet bij Jan Plak of bij den Trip.
Bij Jan Plak kocht hij wat
pruimtabak en bij den Trip meestal een paar dooskes ‘pilchards’ want
daar kon hij niet afblijven.
Zo leed hij daar in de Polder zijn
eenzaam en armmoedig bestaan dag in dag uit op het ritme van de
seizoenen en in harmonie met de natuur.
Op de duur wist niemand nog te
zeggen waar hij vandaan was gekomen en het leek wel of hij er altijd
al was geweest.
Een van de weinigen waarmee hij een beetje contact had
was Stafke Rivière.
Stafke was ietwat simpel van geest en woonde nog
altijd bij zijn moeder op de Frederik. Een afgezabberd stompje van een
dikke Havana sigaar zat permanent in zijn rechtermondhoek en leek daar
met de jaren wel vastgegroeid te zijn. Hij was van Spaanse adel en
zijn naam luidde voluit Gustavo de Ribera de Verninas wat zoveel
betekende als bij ons, Gustaaf van den Oever van Verninas.
Wij
veronderstellen dat Verninas dan naar een of ander dorp of streek
ergens in Spanje verwees. Stafke was zeer sociaal en een graag geziene
gast in het dorp.
Zo zette hij zich onvoorwaardelijk in als
materiaalmeester voor de voetbalclub bij Nelekes en droeg hij fier de
vlag in de fanfare ‘ Willen is Kunnen ’ van bij Ciekes aan de kerk.
In
den Bamis, als de vogeltrek eraan kwam, werd de rosse nerveuzer en
begon hij op de toppen van zijn zenuwen te lopen. Dagen voor er een
vogel te zien was stond hij al in de lucht te turen om te zien of er
ergens een zwerm aan de einder verscheen.
Dan spande hij zijn netten
die hij onder ’t jaar zorgvuldig had gerepareerd en begon er voor hem
een zenuwslopende periode met veel stress en weinig rust.
De
vogelvangst was hier in de jaren vijftig en begin van de jaren zestig
de gewoonste zaak van de wereld en de halve Polder stond vol met
zelfgebouwde rieten en tenen hutjes met daarin de vogelvanger.
Maar
het geliefkoosd terrein van de rosse was toch wel de verraderlijke
schorren,die kende hij als zijn broekzak en hij wist er als geen ander
zijn weg in te vinden.
In die wirwar van kreken, sloten en geulen met
op en afgaand water voelde hij zich op zijn gemak en kon hij
ongestoord en zonder pottenkijkers zijn fuiken en netten zetten.
Niemand,behalve hij en een paar waaghalzen smokkelaars van de Zandvlietse heide waagden zich in dat onvoorspelbaar getijden doolhof.
Het kon er behoorlijk spoken en op een paar minuten tijd trok de hemel
er soms dicht en stond je er voor een ondoordringbare muur van mist.
En wanneer je dan nog de pech had dat het tij opkwam, kon niets of
niemand je nog redden en verzoop je voor je wist wat er gebeurde.
Tijdens de oorlog was het de gedroomde weg om kalveren, patatten en
graan van Holland naar België te smokkelen en er werd vlug en grof
geld mee verdiend. Kalveren overbrengen was veruit het lonendste, maar
was zonder twijfel ook het meest risicovolle. Die beesten had je nooit
onder controle en begonnen soms midden in de nacht zonder aanleiding
kabaal te maken of te ’bleiten’. Vindingrijk als de smokkelaars waren,
hadden ze daar echter algauw iets op gevonden. Ze brouwden een
vloeistof waarmee ze de snuit van de koeien insmeerden. Die werden
daardoor zo mak als lammetjes en gaven geen kik meer onderweg. Ik weet
niet of het waar is, maar ik heb me altijd laten vertellen dat de
Grote Klos een belangrijk aandeel had in de ‘ontwikkeling’ van dit
product.
Ikzelf had maar één keer het genoegen de rosse te mogen
ontmoeten en als ik me goed herinner was dat eind van de jaren
vijftig. Het was op een zwoele broeierige zomerdag tijdens de vakantie
en ik zat op voorn te vissen aan de Hoge Brug van de Snelle Kreek. De
vis wilde maar niet bijten en ik stond op het punt om te stoppen en
een pint te gaan drinken in ‘ De Piep in ’t Riet ’, toen er plots een
stem achter mij klonk die vroeg met wat ik aan ’t vissen was.
Een
beetje verrast zag ik op en keek recht in het imposante gezicht van de
rosse.
Geschrokken stamelde ik “ met deegbolletjes mijnheer,maar de
vis wil niet bijten ,ik denk dat ik maar eens naar huis ga.”
“En ge
zult ook niets vangen met dat aas want er hangt onweer in de lucht”,
antwoordde hij. “ Probeer hier maar eens mee.” Daarop ging hij in
zijn broekzak en gaf mij zonder verder nog iets te zeggen een stekskesdooske met dode vliegen en weg was hij. “Onweer in de lucht,
wat had dat er nu mee te maken?”, mompelde ik.
Een beetje ongelovig
deed ik toch maar wat hij gezegd had en begon met tegenzin opnieuw te
vissen. En inderdaad, ik kon mijn ogen niet geloven, ik heb in mijn
verdere leven nooit meer voorn gevangen dan op die onweerachtige dag.
Dit voorval was voor mij het ultieme bewijs dat hij wel degelijk iets
had met de natuur en dat al die straffe verhalen die over hem de ronde
deden toch zomaar niet uit de lucht waren gegrepen.
Na die memorabele
ontmoeting heb ik hem nooit meer gesproken of gehoord. Wel zag ik hem
af en toe nog wel eens samen met zijn hond, onbereikbaar als een
schim, in de verte door de polders dwalen.
Even mysterieus als hij er
was gekomen is hij op een dag ook weer uit de Polder verdwenen.
Niemand wist te zeggen waar hij was gebleven en hij leek wel van de
aardbodem verdwenen,tot op een dag Louis Bril een beetje opgewonden
kwam vertellen dat hij de rosse had gezien in een rusthuis ‘over ’t
water’.
Louis was er Raaske gaan bezoeken die daar was geplaatst na de
sluiting van het ‘gesticht’, (nu RVT) in Berendrecht, en in de gangen
was hij de Félix daar tegen het lijf gelopen.
Het was dezelfde rosse
niet meer, hij was nog nauwelijks vel over been en klonk erg
verbitterd en verward. Hij vertelde dat hij bij aanvang van de grote
werken aan de nieuwe dokken min of meer gedwongen werd om zijn
geliefde Polder te verlaten. Ze hadden hem hier dan maar gedumpt en
niet lang daarna werd zijn bunker voorgoed onder een metersdikke laag
zand gespoten.
In dat rusthuis heeft hij zijn draai nooit kunnen
vinden en na een dik jaar is hij er dan ook van heimwee gestorven,
eenzaam en alleen, net zoals hij altijd in de Polder had geleefd.
Zo
kwam er een einde aan de mythe van de rosse vogelvanger en verdween
met hem een van de boeiendste en markantste figuren die de Berendrechtse Polder ooit had gekend.
Hendriks Jos
|