|
DE WITTE
KERST VAN DE ROSSE
Dit kerstverhaal
brengt ons terug naar het midden van de jaren vijftig van de vorige
eeuw in het autonome Berendrecht van voor de aanhechting bij
Antwerpen.
Hoofdfiguur in dit verhaal is
de rosse Félix ook genoemd de rosse vogelvanger,een eenzaat die in
een bunker op de Scheldedijk woonde. Hij was visser,stroper,vogel-
vanger en filosoof en als geen ander verknocht aan ‘zijn’ polder.
---------------------------------------------
Met een flinke zwaai trok de rosse Félix de gammele
deur van het tabakswinkeltje van Jan Plak op de Zandkeet achter zich
dicht. Eens per maand kwam hij hier zijn voorraad pruimtabak
inslaan. Hij was de laatste klant die dag want hij hoorde Jan vlak
daarna de grendel op de deur doen.
Het was bitter koud die avond van de 24e
december en hij wist het wel zeker, er hing sneeuw in de lucht, op
dat punt had zijn grote teen hem nog nooit in de steek gelaten.
Bezorgd omhoog kijkend, kroop hij rillend nog wat dieper weg in zijn
versleten winterjas en begon met tegenzin aan de lange terugweg naar
zijn bunker op de Frederik. Nu pas viel het hem op dat de straten er
opmerkelijk verlaten bijlagen, nergens was er een levende ziel te
bespeuren. Hier en daar sijpelde er nog wel wat flauw licht door een
beslagen raam en kwamen er nog wel wat vage klanken aangewaaid maar
toch, het dorp leek om deze tijd wel uitgestorven.
Tot zijn grote vreugde zag hij even verderop nog een
streepje licht branden in de winkel van den Trip. Dit was een
meevaller want hier nam hij elke maand vier dooskes pilchards mee
naar huis, één voor elke week. Pilchards was zijn lang leven, die
had hij wel alle dagen willen eten, maar die luxe kon een arme
sloeber zoals hij zich jammer genoeg niet permitteren.
Den Trip was zoals altijd goed gehumeurd en naar
gewoonte informeerde hij naar de rosse zijn gezondheid en deden ze
een praatje over het weer.
Het was aangenaam warm in de winkel en de Félix zou
nog wel wat langer hebben willen blijven praten, maar den Trip was
haast ongemerkt beetje bij beetje naar de deur geschuifeld en maakte
aanstalten om hem buiten te laten.
Vreemd dacht de rosse, dat doet hij anders toch
nooit.
Terug buiten in de open lucht, viel het hem op dat
het inmiddels nog wat kouder was geworden en dat er een stevige wind
was beginnen waaien.
Een paar honderd meter verder, aan de boerderij van
Jos van Muskes in de Fabriekstraat, voelde hij plots iets op zijn
neus smelten. Verdomd vloekte hij dof,ik wist het hé, sneeuw!
Het waren dikke vlokken en hij herinnerde zich niet
in jaren zulke grote gezien te hebben. Bovendien was de wind nog wat
meer aangewakkerd en blies die de sneeuw nu vol in zijn gezicht. Hij
bevond zich nu in de bocht naar de Zwanendijk even voorbij de hoeve
van Jos Crijnen en had de laatste huizen van het dorp achter zich
gelaten. Instinctief begon hij nog wat harder te stappen en zette de
kraag van zijn tot op de draad versleten jas nog iets hoger.
De sneeuw viel nu werkelijk met bakken uit de lucht
en met veel moeite was hij ondertussen tot aan de splitsing van de
Zwanendijk met het Roetje gesukkeld. Hier moest hij een keuze maken,
links afslaan naar het Roetje ofwel rechtdoor gaan langs de dijk
naar het fort.
Het Roetje, zo genoemd in de volksmond, was het
spoorlijntje van de suikerfabriek waarlangs het Leonieke
(stoomtreintje) de suikerbieten van het dorp naar de Frederik
vervoerde. Het lag een beetje lager, ingebed tussen de polders en
was daarom bij hevige sneeuwval zeer kwetsbaar. Zo was het al meer
dan eens gebeurd dat het smalle lijntje volledig geblokkeerd
geraakte door pakken opeengewaaide sneeuw.
Op dit moment langs daar gaan zou niet erg slim zijn
wist de rosse, het zou wel eens zijn dood kunnen betekenen. De weg
langs de Zwanendijk naar het fort leek hem nog de beste oplossing,
daar zou hij onderaan de dijk misschien toch nog een beetje
beschutting vinden.
De sneeuw reikte inmiddels tot boven zijn enkels en
in de verte hoorde hij het elf uur tampen op de Berendrechtse
kerktoren. Mijn God, al zo laat dacht hij, dat wordt een flink stuk
na middernacht. De stoof zal dan wel uit zijn en hoe krijg ik dat
koppig ding dan weer terug aan de praat, hij had er deze morgen al
zoveel last mee gehad, “dedju !”
De harde realiteit en de hevige sneeuw, die enkele
honderden meters verder al bijna tot aan zijn knieën kwam, dwong hem
echter om nu maar eens op te houden met zich zorgen te maken over
die stoof. Er waren nu belangrijker dingen te doen en zijn eerste
zorg moest nu zijn hoe hij hier nog levend uit zou kunnen geraken.
Hij was nu tot op vijftig meter van het fort
gestrompeld en tussen twee vlagen door kon hij vaag de contouren van
de sombere vesting voor zich zien opdoemen. Dat zou zijn redding
kunnen betekenen, maar welke zot zou hem hier op dit ontiegelijk uur
en bij dit weer komen zoeken, en wie zou hem dan nog horen? Van de
garde-chasse die op het fort woonde moest hij zeker niet veel hulp
verwachten, integendeel, dat was niet bepaald zijn beste vriend.
De vete tussen die twee was enkele jaren geleden
begonnen toen een bende stropers in de polder van de Goudhoek lelijk
huis had gehouden. Ze hadden hun werk zo grondig gedaan dat je daar
bij manier van spreken nog nauwelijks een haas of een konijn kon
vinden. En eigenaardig genoeg, er was geen enkel geweer bij te pas
gekomen, er werden uitsluitend stroppen gebruikt. De jachtwachter
had wekenlang dag en nacht op de loer gelegen maar was er niet in
geslaagd de daders te betrappen, integendeel, het was van kwaad naar
erger gegaan.
Enfin, om een lang verhaal kort te maken, teneinde
raad had de jachtwachter dan maar de rosse als zondebok aangewezen.
Bij gebrek aan bewijzen had hij dat echter nooit echt hard kunnen
maken, het bleef bij roddels. Maar ondertussen zat de Félix toch
maar mooi met de gebakken peren en had hij door heel die affaire in
’t dorp wel een slechte naam gekregen, hij die nooit zomaar zou
stropen om te stropen.
Al deze sombere gedachten rolden in snel tempo als
in een film aan hem voorbij, terwijl de sneeuwhoogte nu werkelijk
angstwekkend vormen begon aan te nemen. Er was nu bijna geen
doorkomen meer aan en hij kwam nog nauwelijks een stap vooruit.
Slechts een paar tientallen meter scheidden hem nog
van de ingang van het fort, “nu niet opgeven Félix”,sprak hij zich
moed in, “nu nog niet doodgaan.” Maar alles begon zwart en wazig te
worden voor zijn ogen en hij voelde de laatste krachten langzaam uit
zijn lijf wegvloeien. “Is dit dan het einde?” “ Dat kan toch niet!”
Zijn laatste wanhopige schreeuw om hulp ging verloren in de witte
nacht, toen was er niets meer.
Dat licht dat nu in zijn gezicht scheen, was dat het
bekende licht aan het einde van de tunnel dat schijndoden al zo vaak
hadden beschreven in hun bijna-dood-ervaring,of was dat simpelweg
een doodgewone ordinaire gloeilamp?
Langzaam, met de hand beschermend voor de ogen kwam
de Félix weer tot leven.
Vaag drongen stemmen tot hem door, en iemand had hem
een dampende kop soep onder de neus geduwd, waaraan hij zodanig
gulzig begon te slurpen dat hij zich verslikte. Waar was hij, het
leek de hemel wel, maar dan zag hij aan zijn rechterkant een paar
jachtwapens aan de muur hangen. Geen hemel dus, want een hemel
met geweren die bestaat niet. Alleen mensen hebben geweren, om
mekaar kapot te maken.
Maar waar was hij dan? Plots klonk er een stem
achter hem die vroeg of hij het al wat warmer had en of hij nog wat
soep wilde. Tot zijn schrik herkende hij die stem als die van zijn
aartsvijand, de jachtwachter. Hij bevond zich dus in het hol van de
leeuw.
“Ge moogt van geluk spreken rosse”, zei hij “dat was
op het nippertje, een gelukkige wind deed je laatste noodkreet nog
juist op tijd tot op het fort belanden. Twee minuten later en de
polder had het zonder zijn beruchte rosse vogelvanger moeten
stellen, da’s wel zeker. Niet dat dat zo’n groot verlies zou geweest
zijn, maar toch. Het heeft me trouwens heel wat moeite gekost om je
tot hier te slepen, zo’n lomp gewicht !” Hetzelfde moment verdween
hij uit de kamer.
Plots vulde geschrei van een baby het vertrek en
enkele tellen later vloog een dolgelukkige jachtwachter de rosse om
de hals. “Een jongen, het is een jongen!” schreeuwde hij.
Nu pas besefte de Félix wat er gaande was, er was
een kind geboren!
Buiten waren de elementen nu tot rust gekomen en de
polder lag er maagdelijk wit toegedekt als een idyllische kerstkaart
bij. De volle maan was vanachter de wolken tevoorschijn gekomen en
haar zachte licht spatte kristalachtig in duizenden schitteringen
uiteen in de verse sneeuw, het leek wel klaarlichte dag, zo helder.
Ergens in de verte klonk er een stoomfluit op de
Schelde en nog verder weg blafte een hond driftig aan de ketting.
En als was het afgesproken, begonnen opeens de
klokken van alle polderdorpen gelijktijdig te luiden, eerst
voorzichtig en schuchter maar dan steeds heftiger en aanzwellend tot
één machtig carillon. De klanken rolden als indrukwekkende
dondergolven over de verlaten ondergesneeuwde poldervlakte.
Ze bleven nog een hele tijd nazinderen in het
verwarde hoofd van de rosse, maar ineens wist hij het, natuurlijk,
het is kerstavond!
Daarom waren de straten zo verlaten geweest en had
den Trip hem zo beleefd ‘buitengewerkt’, het was kerstavond, de
families zaten gezellig onder de kerstboom te vieren! Hoe had hij
dat in godsnaam over het hoofd kunnen zien.
Kerstavond, mijmerde hij, opnieuw was er vanavond
een wonder gebeurd, nieuw leven, net zoals dat twintig eeuwen
geleden met veel hoop voor de mensheid ergens in een schamele stal
in Bethlehem, was begonnen. Die hoop bleek later maar een luchtbel
te zijn geweest, Hij werd aan het kruis genageld en net zoals toen
is er vandaag nog altijd geen plaats in de herberg voor de
minstbedeelden onder de mensen.
“Zand erover?”, vroeg de jachtwachter bijna smekend.
De Félix knikte bevestigend.
Ze gaven mekaar de hand en wensten elkaar een zalige
kerst.
Die avond stond er op het fort wild konijn op het
menu. Na afloop vond de rosse het toch maar eigenaardig dat hij geen
enkel hagelbolletje uit zijn mond had moeten vissen.
Dat kan natuurlijk ook toeval geweest zijn.
Jos Hendriks
|