|
FREDERIK - HENDRIK EN DE
SUIKERFABRIEK.
Onlangs schreef ik in
mijn gedicht ‘Dorp van toen’:
Maar ach, ik weet nog
wel hoe mooi jij was
een beek, een sloot, een
waterplas,
de Frederik, een dijk
met scheve bomen
een plaats om weg te
dromen.
Het haventje, de vissers
en de stropers
de geur van pek en teer,
garnaalverkopers,
ik mis ’t nog alle
dagen
dat Berendrecht van toen
’t zal nooit vervagen.
Jongeren of mensen die
hier nog niet zolang wonen zullen zich wellicht afgevraagd hebben
waarover had hij het nu eigenlijk met die Frederik en dat haventje.
Welnu, die Frederik was een piepklein gehucht van Berendrecht met
een haventje, een suikerfabriek, één boerderij en hoop en al een 10
tal huizen. Het lag verscholen achter hoge Scheldedijken op ongeveer
twee kilometer van Berendrecht dorp.
Het kleine haventje ontstond in
de 16e eeuw nadat Frederik Hendrik, zoon van Willem van
Oranje, als verdediging van Antwerpen tegen de aanvallen van de
Spanjaarden een fort in Berendrecht had laten bouwen.
Veel later
verdween de eerste bescheiden vesting en werd er een groter fort
gebouwd dat tot en met de tweede wereldoorlog in gebruik zou
blijven.
Tot kort na die oorlog woonde er zelfs nog een jachtwachter
met zijn gezin naast het fort.
Het kleine haventje werd met de komst
van de suikerfabriek in 1870 vergroot en kreeg langs weerszijden een
verhoogde berm waarop de kranen stonden die de bieten uit de
lichters hesen.
Op postkaarten van rond 1950 kon je zien dat het
haventje propvol lag met allerlei soorten vissersboten. Maar de
bekendste van al was toch wel deze van de mannen van ‘Jagerkes’,
(Schroeyers) een traditionele vissermanfamilie uit Zandvliet.
Dagelijks meerden ze aan met karrenvrachten paling, pladijs, schar
en versgekookte garnalen. Ik herinner me nog als kind dat ik op de
kade voor een paar frank een grote zakdoek met lekkere verse ’ garnoot ‘ liet vullen.
Er waren drie staminees op de Frederik, maar
het best draaiende was toch veruit dat van Jeanne Kwick. Jeanne was
zo doof als een pot en als je een pint bestelde knikte ze altijd
nee. Die nee betekende echter niet dat ze je geen pint wilde geven,
maar was niet meer dan een spastische beweging die ze moeilijk onder
controle kon houden. In haar bruin ‘estaminet’ met de krakkemikkige
stoelen, het scheve meubilair en de gedroogde varkensblazen aan de
muur, was er het hele jaar door vertier. Hier kwamen vissers,
jagers, stropers, boeren, smokkelaars en al wat met de polder en ’t
Scheld te maken had al van ’s morgens vroeg over de vloer.
Veel meer
dan praten en zat worden viel er niet te beleven maar het bier en de
jenever waren van de beste kwaliteit en smaakte altijd naar meer.
In
de Bamis, -vanaf 1 oktober volgens Van Dale- begon de bietencampagne
of de ‘keponnie’ zoals ze in de Polder zegden.
Dan kwam de slapende
fabriek weer tot leven en stond het kleine gehucht maanden lang
onder hoogspanning. De fabrieksschouw begon rook te spuwen en tonnen
suikerbieten werden door mammoetgrote Brabanders (zware
boerenpaarden) uit de polder gesleurd en naar de fabriek gevoerd.
Boerenknechten met de onafscheidelijke rode bolletjes zakdoek om de
hals en van kop tot teen onder de modder, vloekten en tierden als
duivels wanneer ze weer eens voor de zoveelste keer vast waren
gereden in de vette polderklei.
De zoete weeë geur van gekookt
bietensap hing de hele herfst boven de polderdorpen en boerenkarren
geladen met pulp reden dag en nacht door de gemeente om de boeren
van wintereten voor de ‘ beesten’ te voorzien.
Het ‘ Leonieke ’ -het
stoomtreintje van de fabriek- dat zijn standplaats had aan de
boerderij van Stan van Franskes aan de Zoutestraat, trok zich zonder
ophouden keer op keer weer hijgend en puffend op gang om honderden
tonnen bieten naar de Frederik te sleuren.
Tijdens de topjaren van
de fabriek werden er bijna 300 mensen tewerkgesteld en verwerkte men
meer dan 35.000 ton suikerbieten. Een vaste onderhoudsploeg van
hooguit tien man bleef gans het jaar in dienst, de rest waren losse
seizoenarbeiders.
Van einde en ver, tot zelfs van over de Hollandse
grens kwamen werkzoekenden naar de Frederik afgezakt om er de kost
te verdienen.
Er werd goed geld verdiend en de fabriek bracht brood
op de plank in vele poldergezinnen die het toch al niet zo breed
hadden.
Af en toe gebeurde het wel eens dat moeder de vrouw en de
kinderen zonder eten kwamen te zitten omdat mijnheer weer eens zijne
‘kezjeem’ (loon) had verbrast in ’t café van Jeanne Kwick. Maar de
solidariteit onder de mensen was groot in die tijd en hoe weinig ze
zelf soms ook bezaten, de buren zouden altijd hun uiterste best
hebben gedaan om bij te springen en het ‘getroffen’ gezin door die
moeilijke periode te helpen.
Een van die seizoenarbeiders was mijn
vader, uitbater van het bekende Berendrechtse duivenlokaal ‘De
Verbroedering’.
Ieder jaar pikte hij de ‘keponnie’ mee om wat bij te
verdienen.
Het was hard en vuil ploegwerk maar er werd veel gelachen
en de kameraadschap en solidariteit onder elkaar maakte veel goed.
Alsof ’t gisteren was zie ik hem nog putje winter en vriezend dat ’t
kraakt, te voet en diep weggedoken in zijn dikke jas, vanuit de Klappijstraat ( nu Monnikenhofstraat ) naar de Frederik vertrekken.
Er werd in groep gegaan, dan leek het of de weg maar half zo lang
was zegden ze. Eerst vertrokken de mannen van de bossen, dan sloten
die van de bergen aan, dan die van het dorp en tenslotte die van de
zandkeet.
Het beeld van die grote stoere mannen met hun zwarte
kopzak op hun brede rug maakte als kind een enorme indruk op mij en
zal mij de rest van mijn leven wel altijd bijblijven. Stel je voor
alle dagen vier kilometer te voet in alle weer en wind en meestal in
het pikkedonker, ik mag er niet aan denken verwend als we allemaal
zijn de dag van vandaag.
Zo herinner ik me ook nog de melasse die
mijn vader alle dagen in zijn drinkbus meebracht uit de fabriek.
Melasse is een dikke vloeibare suikerhoudende massa die overblijft
bij de suikerbereiding. Het sap werd gekookt en het residu daarna
uitgegoten op een geboterde plaat of gewoon op de vloer.
Na een
kwartiertje afkoelen bleef er een grote harde klomp snoep over die
in kleine stukjes werd verdeeld. Die bruine stroperige lekkernij
duurde eindeloos lang en bleef heerlijk kleverig aan je tanden
plakken.
Maar aan alle mooie liedjes komt een einde en voor dat
einde zorgde ons aller Antwerpen dat in de jaren vijftig
koortsachtig op zoek was naar gronden voor uitbreiding van de haven.
Men had de bui op de Frederik al van ver zien aankomen en
noodgedwongen werd de suikerfabriek dan maar stilgelegd in 1956. Na
de gedwongen aanhechting van ons dorp bij Antwerpen in 1958 en de
afbraak van de fabriek in de jaren zestig begon de aftakeling van
het kleine gehucht.
Een voor een hielden de weinige bewoners het
voor bekeken en verhuisden naar de omliggende dorpen. De huizen
werden met de grond gelijkgemaakt en de Frederik verdween voor
altijd onder meters opgespoten zand.
Jeanne Kwick hield nog
het langst van al stand in haar café, de kraan bleef er nog enkele
jaren lopen voor de baggeraars en de dokkenbouwers.
Uiteindelijk
verdween ook zij naar Berendrecht en nog later ging ze naar het RVT
Cuypers in Stabroek waar ze momenteel op 98 jarige leeftijd nog
altijd verblijft.
Finaal moest ook het haventje er aan geloven
en werd onverbiddelijk dichtgespoten.
Het doek was gevallen en zo
kwam er na vier eeuwen een einde aan de geschiedenis van een
merkwaardig gehucht dat je op geen enkele kaart meer kan
terugvinden, maar dat nog wel voortleeft in de herinnering van een
handvol oudere mensen en in de straatnaam ‘Frederik- Hendrik’ van
ons woonerf Molengeest.
Hendriks Jos
|