|
|
IN HET HAVENHUIS BIJ JEANNE KWICK.
|
 |
In één van mijn vorige verhalen schreef ik over het verdwenen
gehucht Frederik-Hendrik, de suikerfabriek en ‘estaminet Het
Havenhuis’ van Jeanne Kwick.
Alhoewel er een drietal cafés waren op de Frederik,
was dat van de hardhorige en altijd nee knikkende Johanna -want zo
heette ze officieel- wel veruit het bekendste en best draaiende.
Als je door het ‘gat’ van den dijk de Frederik
binnenreed lag het aan je linkerkant even voorbij de boerderij van
Stan Van Meir, schuin tegenover de woning van Til Notelers (Notelteirs)
en vlak voor je de dijk opreed naar het kleine haventje.
De zolder
kon je enkel bereiken via een trap aan de zijgevel. Er was geen
radio of muziek in huis en je kwam er enkel om te praten of zat te
worden. Achter de tapkast in een vitrine met wit geslepen
bloemmotief stonden hoop en al een 20 tal glazen van het merk
‘Witkap Pater’ en brouwerijen ‘Het Sas’ van Boortmeerbeek. Een stuk
of vijf scheve afgebladderde tafeltjes met bijhorende
kwakkelstoelen, de vergeelde foto van een verre voorzaat boven de
schouw en een reeks gedroogde varkensblazen aan de muur, voltooiden
het sobere interieur.
Aan de achterzijde kon je ongehinderd tot aan Lillo en de Kruisweg zien.
Een eindeloos landschap met in de zomer
niets dan wuivend graan en daar tussendoor het kronkelend lint van
de Snelle Kreek dat zich eigenzinnig een weg zocht door de rijke
velden van de Goudhoek. Precies een schilderij van Brueghel met hier
en daar een rij scheef geblazen canadabomen en de bult van een
rieten dak dat boven het graan probeerde te groeien. Hoe dikwijls
heb ik hier niet aan de waterkant zitten genieten van de roerloze
stilte van een warme zomeravond en van het sacrale moment van een
adembenemende zonsondergang. Dan bleef ik dromen tot de nevel
langzaam zijn witte sluier over ‘t water had getrokken en de
karekiet vermoeid zijn laatste tremolo’s van die dag had gezongen.
Aan de voorzijde van het café keek je uit op het spui (afsluitbare
waterlozing), met aan de overkant de suikerfabriek en bijhorend de
woningen van Frans Jacobs en Maris Plompen, respectievelijk
onderdirecteur en baas van de chemieafdeling van de fabriek.
Op gure kille winterdagen met laag jagende wolken en
zo nu en dan een klets natte sneeuw tegen de ramen, als de winter
kraakte onder je voeten en de poldervlakte een blanke bladzijde
sneeuw en ijs was geworden, dan zocht het poldervolk verkleumd en op
stijve stelten zijn toevlucht in ’t Havenhuis.
Boeren, shiftmannen
van de suikerfabriek, vissers en stropers met klonters polderklei nog
aan hun laarzen, kwamen er al van ‘s morgens vroeg over de vloer om
zich te warmen aan de roodgloeiende stoof en de droge kelen te
smeren.
Officieel mocht er toen die tijd in de cafés geen ‘sterken
drank’ worden geschonken en af en toe deden de douanen onverwacht
een inval. Als je betrapt werd volgde er een fikse boete of
schorsing. Maar dat omzeilde Jeanne handig door haar flessen jenever
in ’t konijnenkot te verstoppen. Dat er zo nu en dan eens een konijnenkeutel aan de fles bleef plakken en mee werd ingeschonken
vond men toen niet zo erg, die werd gewoon uit de borrel gevist.
Maar
laat ons nu eens nader kennismaken met het bont allegaartje dat
geregeld over de vloer kwam in ’t Havenhuis.
In ‘t jachtseizoen
hadden Fons van Toontjes (Alfons Van De moer, molenaar van de
buitenmolen) en zijn kompaan dokter Van Gestel er iedere zondagavond
afspraak met Pjeerke de leugenaar, de rosse vogelvanger en nog
enkele andere notoire polderkenners. Dan parkeerden ze de oude
‘Willys Jeep’ voor de deur en werd het geschoten wild geteld en
verdeeld. Aan eten of naar huis gaan werd er niet gedacht en de
strafste verhalen over de visvangst, de jacht en het stropen deden
hier de ronde tussen pot en pint.
En hoe later op de avond en hoe
rijker het bier en de jenever vloeiden, des te zwaarder de palingen
en de konijnen werden. Zo vertelde Pjeerke dat hij aan de Drie
Blokken eens een paling van een arm dik en met een snor van wel 15
cm had gevangen. Een halve dag had hij nodig gehad om het beest aan
land te krijgen.
Bij het zien van de opengesperde bek en de
vervaarlijke tanden van het monster, was hij op de loop geschoten en
was nauwelijks terug durven keren. Uiteindelijk had hij,al zijn moed
bijeenrapend,het beest toch met een schup de kop af kunnen kappen.
Het schril schreeuwend geluid dat het monster daarbij had gemaakt
sneed door merg en been en bezorgde hem nu nog altijd koude
rillingen als hij er aan terugdacht.
Van het vel had hij en grote
netzak voor zijn vrouw en een mooie toiletzak voor zijn dochter
laten maken. Het overschot had hij aan fanfare ‘Willen is Kunnen’
geschonken om trommels van te maken.
Daarop nam de Fons met een uitgestreken gezicht het
woord en vertelde dat hij en den ‘doktoor’ in de Weipolder eens een
haas van bijna tien kilo hadden geschoten, ze dachten eerst dat ze
een vos hadden neergelegd. Het waren geen leugens want ze mochten
het vragen aan Jef van Spelleskes, die was er bij geweest en had mee
helpen dragen. Het enorme beest werd cadeau gedaan aan de nonnekes
van ’t gesticht (nu RVT) en de arme weeskinderen en de sukkelaars
hadden er meer dan een week van gesmuld.
In ruil voor dit genereus gebaar hadden de nonnekes
beloofd heel erg hard en veel voor hem te zullen bidden, zodat hij nu
al min of meer zeker zou kunnen zijn van een plaatske in de hemel.
Honderd procent zeker was dat wel niet hadden ze gezegd, maar hij
zou hierdoor, als ’t zover was, zonder twijfel toch wel een voetje
voor hebben bij Sint Pieter. Als dat geen mooie vooruitzichten
waren, “schol!”
Alhoewel Stafke Rivière nog bij zijn moeder op de
Frederik woonde kwam hij maar zelden in ‘t Havenhuis, hij zat
meestal na de voetbal in ’t café bij Nelekes of in ’t gildenhuis bij
Ciekes. Maar als hij eens langskwam was het altijd lachen geblazen
en haalde hij de gekste toeren uit voor een pint. Een van zijn
‘stunten’ bestond erin om achterwaarts met zijn rug tegen de
grond, onder vijf stoelen door te kruipen.
Dat was trouwens een van
de zeldzame gevallen waarvoor hij bereid was zijn hoed even aan de
kapstok te hangen en het onafscheidelijk stompje Havana sigaar even
uit zijn mond te nemen. Als de ‘stunt’ weer eens was gelukt, sprong
hij zo blij als een kind een gat in de lucht en nam hij onder luid
applaus triomfantelijk zijn zoveelste gratis pint van die avond in
ontvangst.
Zo rond de klok van middernacht bereikten de palingen en
de konijnen altijd hun hoogste gewicht en probeerde Pjeerke de
leugenaar er nog een schepke bovenop te doen door voorzichtig nog
een haas van elf kilo te schieten. Maar daar werd niet
ingetrapt, tien kilo dat kon nog net, maar elf dat was er ver over
vonden ze allemaal! Pas als de nieuwe dag al stilaan aan het donker
begon te knabbelen en de haan zijn eerste liedjes van die ochtend
al had gezongen, werd er aan naar huis gaan gedacht.
Maar dan moest
de rosse Félix toch nog even kwijt dat hij eerst nog eens vlug die
haas zou gaan ‘halen’ die hij gisteren in de polder van de Magershoek tussen den ‘bjeet’ (biet) had zien liggen. Niemand
twijfelde daaraan want stropen kon hij als een oude Belg. Mede door
enkele angstvallig bewaarde geheimen en door in steeds kleiner
wordende kringetjes rond de langoor te lopen, was het gegarandeerd
haas in de pot.
Als ze in de ochtendschemering met de open ‘Jeep’
heel traag en voorzichtig over de glimmende kinderkopjes naar huis
reden, hing er een klammig laagje nevel boven de polders en deed een
vroege onzekere zon in ’t oosten al pogingen om het herfstlandschap een beetje kleur te geven. De suikerfabriek draaide nu op
volle toeren en de kille morgenlucht was doordrongen van de alles
overheersende zoete weeë geur van gekookt bietensap. Een
opgeschrikte blauwe reiger koos luid klapwiekend het luchtruim toen
ze de bocht naar het fort inreden en hoog boven hun hoofden trok er
een vlucht snaterende ganzen over,op weg naar het warme zuiden.
Even na achten was de buitenmolen opgetuigd en begon
de Fons te malen; dan had dokter Van Gestel zijn eerste huisbezoek al
achter de rug.
H J
|