ROGER
------------
Als ik weer
eens in mijn krant heb gelezen dat er in X een speelpleintje wordt
gesloten omdat de omwonenden het ‘lawaai’ niet langer kunnen
verdragen,moet ik wel eens terugdenken aan mijn eigen kindertijd in
het Berendrecht van de vijftiger jaren. Wanneer ik dan de balans
opmaak en ga vergelijken met de tolerantiegraad van nu, prijs ik mij
gelukkig dat ik die mooie jaren toen heb mogen beleven.
De mensen
waren toen veel verdraagzamer en wij konden ons de luxe veroorloven
ons dorp letterlijk als één groot speelterrein te mogen beschouwen.
Het was de
tijd van ‘wat leefden ze gelukkig toen in simpele huizen tussen
groen’, zoals wijlen Wim Sonneveld het zo prachtig in zijn lied ‘het
dorp’ kon zingen.
De tijd ook
van onbekommerde kinderjaren toen we lagere school liepen in ons
eigen Berendrecht,met een zorgende moeder die elke middag en avond
klaar stond om haar kinderen op te vangen.
Er was toen
zelfs nog een 7e en een 8e leerjaar en je kon
tot je veertiende bij ‘bovenmeester’ Mous in je eigen dorp terecht.
Crèches en
onthaalmoeders bestonden nog niet en het woord sleutelkinderen stond
nog lang niet in de ‘dikke Van Dale.’
Iedereen
kende iedereen en er was nog sociale controle en respect voor
onderwijzers en gezag. Als je bijvoorbeeld iets had uitgestoken op
school en daarvoor werd gestraft,ging je dat zeker thuis niet
vertellen,op gevaar af je straf verdubbeld te zien.
De
onderwijzer was baas in zijn klas en er moest geluisterd worden.
Zo vertelde
meester Adriaenssens van het 5e en 6e
‘studiejaar’ -je had toen nog een kleine en een grote kant- altijd
aan de nieuwkomers dat er boven de ingang van zijn klas in ’t groot
geschreven stond, ‘ hier temt men leeuwen en tijgers’. Er stond
uiteraard niets te lezen boven die deur maar het volstond om je te
laten weten wie de lakens uitdeelde.
De TV stond
nog in zijn kinderschoenen en om de haverklap viel het beeld uit of
werd er overgeschakeld naar de 625 lijnen. Vader moest dan onder
luid gemor van de verzamelde familie en buren vliegensvlug naar de
zolder om de antenne in de richting van de zendmast van Schoten of
Waver te draaien. Dat Stanneke Ockers in Frascati dan al lang als
eerste over de meet was gereden en met de regenboogtrui op het
podium stond te glunderen,moesten w’ er dan maar voor lief bijnemen.
In de
beginjaren waren er in ons dorp hoop en al een 5 tal TV’s.
Eentje stond
er in het café van Jeanne van Mitten op de Solftplaats. In de maand
juli was het er ’s avonds altijd vollen bak om naar het ritverslag
van de ronde van Frankrijk te kijken. Jeanne deed gouden zaken,en
als jonge snaken,die af en toe wel eens krap bij kas konden
zitten,probeerden wij wel eens buiten te glippen zonder iets te
drinken. Maar dat lukte maar heel zelden want ze hield je verdraaid
goed in de gaten en had je onmiddellijk te pakken wanneer je
trachtte te ontsnappen. Ze riep je dan zonder pardon voor het oog
van een vol café ter orde en verplichtte je met het schaamrood op de
wangen toch iets te verteren. De volgende keer dacht je dan wel twee
keer na voor je zoiets nog eens probeerde.
De winters
waren toen nog echte winters en de zomers nog echte zomers.
De sneeuw
bleef vanaf december maandenlang liggen en in de grote vakantie leek
het wel of de zon alle dagen van ’s morgens tot ‘s avonds scheen.
Achteraf gezien was dat natuurlijk maar schijn en besefte je dat dat
alles te maken had met het feit dat het vooral de mooie
herinneringen zijn die je ’t meeste bijblijven.
In de
aardrijkskundeboeken uit die tijd werd Berendrecht omschreven als
een mooi landelijk
agrarisch dorp in de vruchtbare Antwerpse polders.
Als kind
beseften wij toen maar half hoe bevoordeeld wij waren onze jeugd te
mogen doorbrengen in zo’n prachtig stukje ongerepte natuur met
polders en bossen.
Ons moeder
bakte toen nog worsten en beulingen van zelf gekweekte varkens,vet-
gemest met roggemeel en de beste restjes van tafel. Samen met
rondtrekkende barden en de ganse buurt,zongen we onder het schaarse
licht van een gaslantaarn over de verschrikkelijke moord van
Ingelmunster.
Ingelmunster,waar
lag dat ergens? In een ander land? Zelfs lange Sooi,bijna altijd
tien op tien voor aardrijkskunde en veruit de slimste van onze klas
wist het niet. Het leek ons allemaal zo wezenlijk ver van ons bed en
hoogst onwaarschijnlijk dat ons dorp zoiets vreselijks zou
overkomen. En daarbij, ‘als we maar kuis genoeg leefden’ zei
mijnheer pastoor altijd, zouden we gespaard blijven van alle onheil.
Alhoewel,helemaal gerust waren w’ er nu toch ook weer niet in,en het
kostte ons telkens een paar slapeloze nachten, met rare gezichten op
‘t behang en krakende voetstappen op de trap. Mijnheer pastoor wist
tenslotte ook niet alles,hij moest zich maar eens vergissen. Na een
tijdje echter viel alles weer als vanouds terug in de plooi en
durfden we aan cinema De Koerel al weer eens stiekem in ’t
voorbijgaan naar de foto en de weelderige boezem in de jurk van
Mylène Demongeot te gluren.
Op een dag
stond hij daar,hij was groot slank en blond met blauwe ogen in een
bronzen kop en had een ‘envelop’ (verticale rechte streep) vanachter
in zijn haar. De kraag van zijn korte lederen ‘James Dean vest’
stond altijd rechtop en accentueerde nog eens extra die uitdagende
symmetrische ‘envelop’. Het moet zowat in de mooie zomervakantie van
1955 geweest zijn toen Roger Brijs,want zo heette hij,ons mooi
geordend jong dorpsleventje totaal overhoop kwam gooien. Tot dan toe
maakten wij de dienst uit bij de lokale meisjes,maar Roger bracht
daar van de ene op de andere dag verandering in.
Hij was een
vrijgevochten stadskind uit het verre Antwerpen dat elk jaar de
grote vakantie bij zijn ‘moemoe Berendrecht ’ kwam doorbrengen. Hij
was verschrikkelijk zelfverzekerd,op het arrogante af,en in zijn
ogen waren wij maar een stelletje achterlijke boerenpummels.
Het was de
tijd van onze eerste prille ontluikende liefdes en de geboorte van
de rock ’n roll. De tijd ook van Elvis,Little Richard en Bill Haley
en zijn Comets.
De eerste
maal dat wij met Roger echt kennismaakten was op het voetbalpleintje
aan het chirolokaal (nu ‘t ganzenhof) naast de wei van Louis van Jef
van Fiekes.
Hij vroeg
ons of hij eens mee mocht sjotten. Eerst vonden wij het geen goed
idee, maar na enig overleg en mede door het lang aandringen van
Stanneke Coeck,gaven wij hem toch maar zijn zin. Stanneke was een
klein nerveus mager ventje met krikkel stekelhaar en doffe
schelvisogen die je vanachter een ziekenkasbrilletje altijd een
beetje troosteloos aankeken. Hij was veruit de zachtaardigste van
onze groep en altijd bereid tot dialoog en het sluiten van
compromissen.
Roger mocht
dus meedoen en wat toen volgde was verbijstering,ongeloof en totale
vernedering. Hij dribbelde ons allemaal moeiteloos alsof we lucht
waren. Van achter naar voor,van links naar rechts,hij liet ons alle
hoeken van het veld zien. Voor wij goed en wel beseften wat ons
overkwam,had hij helemaal in zijn eentje al wel tien keer de bal in
het ons net gedeponeerd. Hoe was dat nu mogelijk? Wij oefenden toch
ook ruim twee uur per week. Akkoord,af en toe kwam het er wel eens
niet van omdat onze trainer weer maar eens was blijven plakken in ‘t
café bij Trien van Nelekes,maar wat maakte dat nu uit?
Achteraf
vernamen wij dat Roger bij de scholieren van den Antwerp voetbalde
en dat hij daar een van de grootste beloften ooit was,vandaar dus!
Maar dat was
nog niet alles. Algauw ging zijn reputatie hem vooraf en lagen de
mooiste meisjes van het dorp half verdoofd aan zijn voeten. Zelfs
Louisa Van Beeck, het allermooiste meisje,bezweek voor zijn charmes.
Louisa was de dochter van een strenge,op-zijn-strepen-staande
West-Vlaamse douanier,die hier was komen wonen nadat hij vast op de
grenspost van Zandvliet met Ossendrecht werd gestationeerd. Ze was
groot en slank,met dik glanzend donkerbruin haar in een
paardenstaart,en had maatje 36. Met haar pruilmond en haar
wespentaille deed ze je onwillekeurig aan Brigitte Bardot denken. Ze
droeg altijd chique modieuze kleren en als ze voorbijkwam draaiden
alle koppen in haar richting en werd ze bewonderend nagefloten. Ze
ging niet ‘gewoon’, zoals iedereen, maar ze schreed als een
mannequin. Je kon dan ook duidelijk zien dat ze klassiek ballet
volgde aan de balletschool van Jeanne Brabants in Antwerpen.
Op een dag
kwam dikke Pros ons helemaal in de war en buiten adem vertellen dat
hij haar in ’t bos aan ’t café van Stan van Pinten met Roger had
betrapt,terwijl ze mekaar op de mond stonden te kussen. Niemand van
ons was er ooit in geslaagd Louisa nog maar te benaderen,laat staan
haar te kussen! Vanaf toen beschouwden we haar als een verraadster
en werd ze gemeden als de pest,ook al hadden sommigen het daar wel
héél erg moeilijk mee.
En er was
nog iets dat ons geweldig stoorde,ongelovig als die Roger was,scheen
die niet het minste last te hebben van de duivel,zonden of biecht.
Schaamteloos stond hij minutenlang ‘en plein publique’ aan cinema De
Koerel naar de foto en de weelderige boezem in de jurk van Mylène
Demongeot te gluren. En hij bleef gewoon staan kijken,zelfs toen
meester Guns,die daar toevallig voorbijkwam hem gebood verder te
gaan. Van lef gesproken! Dat had nog nooit iemand van ons gedurfd.
En als wij
hem er achteraf op wezen dat hij daarvoor eeuwig in het diepst van
de hel zou kunnen branden,lachte hij ons vierkant uit.
De
spreekwoordelijke druppel kwam er toen hij een paar dagen nadien,de
zondag van Berendrecht kermis,uitdagend hand in hand met Louisa over
de Solftplaats liep te paraderen. De maat was nu vol en we besloten
hem eens een lesje te leren. Maurice De Bie en Willy De Bock werden
aangeduid om het karwei te klaren.
Maurice was
een potige breedgeschouderde kerel met koolschuppen van handen en zo
sterk als een paard. Hij kon met zijn pink een zak van 20 kilo wel
een dozijn keer
van de grond
tillen en scheurde met gemak telefoonboeken in twee. Hierbij moet
echter wel gezegd dat de telefoonboeken van toen bijlange nog niet
zo dik waren als die van nu! Waar Maurice verscheen werd het stil en
stopten plots alle ruzies. Willy daarentegen was een lange
slungelige meeloper met een pokdalig gezicht en veel te lange armen
die er altijd een beetje overbodig bij leken te hangen.
In ’t
bijzijn van Maurice voelde hij zich echter altijd een hele vent en
voerde hij steeds het hoogste woord. Op dinsdag,de laatste dag van
de kermis,zouden ze op ’t Solft achter de kriebelenbuik Roger eens
goed onder handen nemen om hem voor eens en voor altijd duidelijk te
maken wie er de baas was in ons dorp.
Zo gezegd zo
gedaan,Roger werd met een smoes achter de kriebelenbuik gelokt. Voor
hij goed en wel besefte wat er gebeurde lag hij languit tegen de
grond en zaten Maurice en Willy boven op hem. Maar hoe het daarna
verder is gegaan hebben die twee ons nooit echt naar waarheid durven
vertellen. Feit is dat Roger zich met enkele grepen heeft kunnen
bevrijden om daarna onze twee helden met een paar mae-geri’s(voorwaartse
trappen) en ashi-barai’s (voetvegen),vakkundig tegen de vlakte te
werken. Roger bleek namelijk al jaren judolessen te volgen en over
een bruine band judo te beschikken.
Doodgemoedereerd had hij na afloop zijn verwarde ‘envelop’ loodrecht
terug in de plooi gekamd,het stof uit zijn kleren geklopt en was
daarna met Louisa aan zijn arm aan ’t kraam van Frans van Propkes
een vel dobbelewitjes gaan kopen.
Met die voor
ons toch ietwat valse noot liep die lange warme zomer van 1955
stilaan op zijn einde. Al bij al waren we toch wel een beetje
opgelucht dat het september werd en dat we eindelijk verlost waren
van die verschrikkelijk arrogante Roger die met al onze lieven ging
lopen.
Die zomer
betekende ook het einde van onze onbekommerde apenjaren in het
kleine Berendrechtse dorpsschooltje. We werden nu verondersteld
volwassen te zijn geworden en het leven serieus te gaan nemen. De
meeste van ons gingen voortstuderen in Antwerpen of gingen naar de
landbouwschool in Stabroek. Enkelen,waaronder ook dikke Pros,gingen
naar de vakschool in de Londenstraat en Stanneke Coeck,hoe kon het
anders,die ging voor pastoor studeren aan het klein seminarie in
Hoogstraten. Hoe het Roger verder was vergaan,vernamen wij toevallig
vele jaren later via Maurice De Bie die nog een tijdje in Antwerpen
bij hem in de straat had gewoond. Hij was niet zo goed
terechtgekomen, hij was van de ene naar de andere vrouw gefladderd
en had nergens het echte geluk kunnen vinden. Tot overmaat van ramp
zag hij door allerlei ingewikkelde kwetsuren,die maar bleven
aanslepen,zijn veel- belovende voetbalcarrière voortijdig beëindigd.
Mede daardoor was hij aan de drank geraakt en aan levercirrose
gestorven.
Hij werd
amper 34.
Jos
Hendriks