Berendrechtonline___________________________________________________________________________________________

 

ER WAS EENS... LEVEN OP DE FREDERIK

Na jaren hard labeur en werken aan de toekomst, sloeg het noodlot hen toe. De vruchtbare polder die jarenlang met de grootse zorg bewerkt werd, zag men in één ogenblik teloorgaan. Na lange tijd spartelen en ploeteren, scheen ook voor hen weer de zon, maar helaas niet voor lang. Met één pennenstreek besliste men in Brussel De Frederik van de kaart te vegen. Het natuurgeweld had men overwonnen, maar tegen vaderkestaat die onverbitterd zijn genadeslag gaf was niets opgewassen. Alle leven en wat geleefd werd veegde men uit de weg om plaats te maken voor industrialisatie. Een hele gemeenschap rukte men uit elkaar, de ene moest al wat verder weg verhuizen dan de andere om aan een nieuwe toekomst te bouwen. Vele jaren later doen twee toenmalig inwoners van De Frederik hun verhaal.         

 

Met eigen woorden en heimwee vertellen Stan en Mariette Van Meir hun verhaal dat eens in een mooi gehuchtje begon.

 

Stan: Ik ben geboren op De Frederik. Mijn vader ook. Ik ben in Berendrecht naar school geweest naar de nonnenschool bij meester Adriaensens en meester Mous. Toen ik een jaar of acht was ging ik met de fiets naar school en als het in de winter gesneeuwd had reed ik er te paard heen, want in de winter gebruikte men toch niet alle paarden om te werken. Zo hadden we een wat ouder paard waarmee ik dan via de polder tot bij nonkel Frans reed, die woonde niet ver van de school. Ik zette het paard daar op stal en na school reed er dan mee terug naar huis.  

Meester Adriaensens had een broer die eigenlijk boer was en die een autobusdienst begon, en meester Adriaensens reed voor en na school met die bus een alternatieve route dan welke de tram reed. De trammaatschappij spande hiertegen een proces in. Charel Van Delft kwam tussen beide en onderhandelde met de trammaatschappij waarna het proces stilgelegd werd. Charel Van Delft was iemand die opkwam voor zijn dorpsbewoners en was een man die mee de gemeente bestuurde vanuit zijn kasteel. Eigenlijk had die toen meer te vertellen dan de burgemeester zelf. Charel Van Delft deed meerdere goede dingen, zo hadden we voor de oorlog een smeerlap van een gendarm die je voor het minste wilde pakken. Bijvoorbeeld, de boeren die met hun paarden in het donker van het veld kwamen moesten natuurlijk ook licht bij hebben. Maar de mogelijkheid van toen was een karbuur-lantaarn en die was erg lastig want zo een ding op een waggelend paard, dat was zo simpel nog niet en vaak gingen de lampen dan ook uit. Dat wist ook die gendarm en voortdurend lag hij op de loer om je toch maar te kunnen pakken.  Het werd soms echt te gek en daarom heeft Charel Van Delft ingegrepen en de burgemeester een brief geschreven om een einde te maken aan het overdreven optreden van die gendarm.

Wat de overstroming betreft, je kan het zo moeilijk overbrengen aan mensen die het zelf niet hebben meegemaakt. Ik heb al eerder moeten vaststellen dat mijn uitleg niet of verkeerd begrepen werd. Soms werd er een eigen visie aan gegeven die niet meer aansloot met de waarheid, maar ja dat was nu éénmaal zo.

Vaak is men nieuwsgierig naar die nacht van de overstroming. Het was pikdonker en er was heel veel wind. Toen we die nacht zagen dat het water gevaarlijk hoog stond ben ik met de fiets door de polder naar Louis de Schutter gereden. Die is met zijn auto, toen één van de eerste auto’s in Berendrecht, naar de Frederik gekomen en heeft Mariette en de twee kleine kinderen komen halen, dit was voor mij al een grote zorg minder. De beesten stonden gebonden in de stal,  moesten losgemaakt en naar buiten gebracht worden. Toen één rij losgemaakt was en ik bezig  was met de andere rij viel plots het licht uit. We zagen totaal niets meer. Het was echt een heksenketel in die stal want de beesten die los waren, sprongen en dansten in het rond van blijdschap, levensgevaarlijk. Even later als de deuren open gingen waren de dieren snel buiten. De beesten kenden hun weg en liepen de dijk op. Mijn vader zei nog tegen me, “ge moet de deuren van de stal weer sluiten  want waarschijnlijk zullen sommige koeien weer in hunne stal willen geraken”. En inderdaad, toen het s’morgens licht werd zagen we enkele dieren zwemmen van de ene staldeur naar de andere. Ik heb nog geprobeerd ze daar weg te jagen door zelf in het water te gaan maar door de bouw van de boerderij en de ligging van de dijk was er een sterke waterstroming en de watermassa was te sterk om tot bij die beesten te geraken. Ik kon ze wel wat verjagen maar ze kwamen steeds terug, er was niets aan te doen.

Zo kwamen we kletsnat uit het water. Ik heb met diezelfde kleren tot zondagavond rondgelopen. Op dat moment werd de koude en nattigheid overwonnen. Pas na een dag of vijf heb ik een zware verkoudheid opgelopen, maar zo erg was dat ook weer niet. De jonge kalveren werden opgeladen in de vrachtwagen. Helaas konden ze er allemaal niet in en we moesten er een deel achterlaten. Er zijn vier kalveren verdronken. Gelukkig is de grootste hoop gered. Indien mijn vee niet was buiten gebracht, waren ze allemaal verdronken geweest want we lagen diep bij de uitwatering, het laagste punt van de polder. Bijna al het water van zowel Lillo, Stabroek, Berendrecht en Zandvliet kwam bij ons terecht. 

Mariette: Ik ben weggereden met de beesten en toen ik onderweg even omkeek zag ik een grote golf water van wel een meter hoog naar ons komen aangerold. Ik was met Jef Schillemans tot aan de Blauwhoef gereden. We konden niet verder naar Berendrechtdorp. Toen ik ook hier een nog golf water zag aankomen zei ik tegen Jef niet verder te rijden omdat er blijkbaar ook een dijkbreuk in Lillo was. We zijn toen richting Stabroek en via de Absdreef naar Berendrechtdorp gereden tot bij tante Julia. Ik zal ook nooit vergeten toen daar plots de Kerschot binnen kwam gelopen met de woorden “ Julia op de Frederik zijn ze allemaal verdronken”. Ik was in paniek. Ik ben opgestaan en probeerde via den Bremdonks, voorbij Louis Koch tot aan de Binnendijk te komen waar we aan het water gingen kijken. Daar zagen we van alles aanspoelen. Het was schrikken toen iemand plots riep: “Kijk daar das onze Seppe denk en misschien de Stan ook nog”. Gelukkig waren het maar enkele bomen die in het donkere water op mensen leken. 

Stan: Je vraagt je misschien af waar ik die nacht heb doorgebracht, wel, boven op de dijk. In de storm met af en toe nog een fikse regenvlaag was ik door en door nat want ik had enkel maar een overall aan en op de dijk was niets om te schuilen. Na een regenbui werd je automatisch droog geblazen door de hevige wind.

Toen het echt kritiek werd ben ik bij het haventje gaan zien en naar de sluizen die al het water opvingen vanuit de polder. Als je van daaruit naar onze hoeve keek zag je dat de uitgang van de sluis richting boerderij lag. De schotten die hier geplaatst werden lieten veel water door en bovenaan de dijk was al een duidelijke afbrokkeling te zien. Moest hier de dijk doorbreken dan was het zeker niet veilig in de veel lagere boerderij te verblijven. Alles zou er zeker weggespoeld zijn en daarom leek het veiliger boven op de dijk te blijven. Bang om te verdrinken ben ik nooit geweest, maar binnen in huis blijven leek me toch te gevaarlijk. 

Volgens Louis de Schutter moest er een brug komen. Hij is toen naar de burgemeester geweest maar die wilde geen hout om tijdelijk een brug te bouwen opvorderen en vertelde dat de gemeenteraad hierover moest beslissen. Natuurlijk moet de gemeenteraad beslissen bij een opvordering, maar als je in nood verkeert en er moet dan nog een gemeenteraad bijeen geroepen worden om te beslissen voor toen 3000 Fr hout op te vorderen voor het bouwen van een noodbrug, dat kan toch niet. Niemand trok zich van ons iets aan en we moesten toch weg met de beesten. Dus deed Louis het op zijn manier en ging zelf op zijn kosten, wat later wel terug betaald werd door de gemeente, hout halen met paard en slee. Een slee die vroeger gebruikt werd om ploegen en heggen op te laden. Hij bracht zo hout om er een smalle noodbrug van te bouwen.

Eerst de paarden dan de koeien. Caline, een paard met verstand, ging als eerste, bekeek het eens en ging er rustig overheen. Maar toen den Blauwe met een paar grote sprongen erover ging vielen enkele balken het water in en moest de rest over een nog smallere brug. Gelukkig liep het allemaal goed af. Het was zondagavond toen ik bij tante Irma op de werf aankwam en er om een boterham vroeg want ik had niets meer gegeten sinds zaterdagavond.

We zaten vier maanden met water dat op en af kwam en binnen en buiten stroomde op de boerderij. Een gedeelte van de polder was onbruikbaar, op sommige plaatsen lag zelfs één meter vijftig hoog schelpenzand. Er lagen ook blokken turf van wel een huis hoog die uit de diepte opdoken. In die blokken zaten eiken en berkenstammen. Van die berkenbomen was de schors nog zo wit als je ze nu ziet staan. Toen het water nog maar juist uit de polder bleef was ik al terug bezig aan de bres om wat land terug vrij te maken. Zand schuiven met de paarden was een eindeloos werk maar je was in die tijd al blij dat je toch al een klein stukje landbouwgrond opnieuw kon gebruiken. Gelukkig kreeg ik als een soort wederdienst soms wat hulp van de baas van een firma die de bres kwam dichten. Zij hadden een grote bulldozer waarvoor niet altijd werk was en die me dan tussendoor kwam helpen land vrij maken.

Toen later het leger met grote bulldozers de landbouwgrond weer vrij had gemaakt van het opgespoelde zand was de structuur van de zware poldergrond zo kapot gereden, dat men zelfs in 1962, bijna 10 jaar later, op sommige percelen nog slechte oogsten had doordat de grond nog steeds niet goed was. Vele boeren hadden het die tijd zwaar te verduren door steeds een slechte oogst te hebben.

Mariette: Later hoorde ik op de radio vertellen dat er 500, later 800, 1200 en op laatst 1800 doden waren. Via de radio konden we de reddingsacties van de schepen afluisteren en hoorden we zelfs de gesprekken van de Nederlandse helikopterpiloten die de mensen op de daken redden. Zo was er een vrouw die een andere vrouw moest helpen bevallen omdat de dokter niet kon komen door al het water. Ongeveer een uur later moest de vrouw, pas bevallen, gaan vluchten voor het water. Ze wikkelde haar baby in een neusdoek en nam het onder de arm. Het kindje is uit de neusdoek gegleden in het koude water en verdronken. Mevrouw Grosfeld is ook verdronken. Later hebben we haar zoon nog gesproken die ons het verhaal vertelde. Het water stond zeer hoog en door de druk van dat water tegen de raam klapte het raam plots in. Zijn moeder werd door het binnenstromende water meegesleurd in de openstaande kelder. Daar is ze verdronken.

Stan: Het merkwaardigste en wat ik ook nooit zal vergeten is dat ik die maandag in mijn eigen huis gezwommen heb. We hadden geen andere kleren dan die we aan hadden en we moesten toch propere kleren hebben.

Het water stond ongeveer 2m hoog. We roeiden met een bootje naar ons huis tot bij een raam. Het raam bestond uit drie delen. Via het bovenste deel, waarvan ik de ruit kapot stampte, kon ik aan de hendel om het raam te openen. De tafel dreef op het water en ik zag een kans om vanuit de boot op de tafel te springen. Maar door mijn gewicht zakte die in het water en stond ik tot aan men borst in het ijskoude water. Gek genoeg herinner ik me dat koude water niet. Het zal toen zeker koud geweest zijn maar in zulke omstandigheden overwint een mens veel. Ook de kast met kleren dreef in het rond. Ik nam daaruit enkele fluwijnen zakken, vulde ze met kleren en gooide die tot bij de trap. Van op de tafel ben ik dan naar de trap gezwommen, daar heb ik de zakken bijeen gescharreld en ben naar boven gegaan. Daar stond nog een wasmand, wel met vuile kleren maar ze waren droog wat het belangrijkste was. Na me omgekleed te hebben heb ik me door het zolderraam via een koord  terug in de boot laten zakken. Dit heb ik drie keer gedaan tot we de meeste van onze kleren terug hadden.

Wat de bedeling betreft van de hulpgoederen, deze verliep ook niet altijd eerlijk, maar ik zat met zeventig stuks vee op een ander en had toen wel andere zorgen aan mijn hoofd. We haalden onze matras uit het water. Deze had meer dan een week in het water gelegen. We namen de doorweekte matras mee naar Stabroek waar Fil De Kopere hem kwam halen. Die hadden een wasserij in de Abdtdreef. De matras werd daar grondig gespoeld en gezuiverd en op de verwarmingsbuizen gelegd om te drogen. Die matras, die ligt nu nog steeds op het bed in de logeerkamer. Zelfs ons bed, dat ook meer dan tien dagen in het water en de modder heeft gestaan, daar slapen we nu nog in. 

Op een dag in1954 stak er opnieuw een hevige storm met giertij op. Ik was pas bezig met koeien. De schrik zat er nog altijd in en ik heb toen snel een hoog drachtige koe naar Louis De Schutter gedaan. We hebben toen zelfs de grote kast in de woonkamer uit elkaar gedaan en naar de zolder gebracht.

Omdat de bodem onbruikbaar was geworden voor landbouw, zoals het telen van graan en aardappelen, ben ik overgestapt op veeteelt. Gras was het enige dat groeide op deze grond na de overstroming. Op de Frederik heb ik dus de basis gelegd voor een verdere carrière als veehouder. Met het geld van de verkoop van drie paarden kocht ik een tractor. Het was de vijfde tractor in Berendrecht en koste toen nieuw zestigduizend frank. De aankoop was dik tegen de zin van vader en nonkel wat best te begrijpen viel. Het waren allemaal paarden met een vosse bles. Om tot die uiterlijke kenmerken te komen had vader meer dan veertig jaar lang zorgvuldig gekweekt.

Ik ben nog steeds blij dat ik toen gekozen heb om over te schakelen van een landbouwbedrijf naar een melkveebedrijf. Jarenlang heb ik een vooruitstrevend bedrijf gehad, wat later zelfs uitgroeide tot het grootste melkveebedrijf met meer dan honderd koeien.

Ik kwam 41 jaar geleden in Weelde wonen op een boerderij dat buiten het dorp ligt. Door de ligging had ik weinig contact met de dorpsbevolking en als ik dan in het dorp kwam was ik voor hen een vreemdeling. Er werd vaak geroddeld. Ze vroegen zich af waarom wij naar hier kwamen wonen, waarom we ginder waren weggegaan, enz. Blijkbaar begrepen de mensen hier niet dat sommige boeren weg moesten voor de havenuitbreiding. Gelukkig is dit door de jaren heen allemaal bijgelegd. Het is gek eigenlijk dat het hier een heel andere mentaliteit is. Ik woon hier nu al 41 jaar en nog zijn er veel zaken die ik niet begrijp.

Onze meisjes toen 6, 8, 11 en 14 waren in Antwerpen op internaat en kwamen in het weekeinde naar huis. Toen Mariette zwanger was van onze zoon had ik haar gezegd ge moet het de meisjes vertellen voor ze het  kunnen zien en op een zondag aan de koffietafel vertelde ze het grote nieuws, waarop natuurlijk direct naar een naam werd gezocht. Ze kwamen er maar niet uit. Toen ze er enkele weken later weer over bezig waren en maar niet kon beslissen zei ik: “Waarom noemen we hem niet Frederik?” Toen deze naam viel was er direct een algemeen akkoord en zo werd onze zoon naar ‘de Frederik’ genoemd.

Waar vroeger de boerderij stond, liggen nu de gebouwen van het bedrijf BRC.  Op de terreinen van de BRC ligt mogelijk een bom en ik kan bij benadering zeggen waar die ligt.

In de oorlog zijn er op ‘de Frederik’ enkele bommen gevallen. Waarschijnlijk waren ze afkomstig van een vliegtuig dat geraakt werd en richting zee keerde om daar zijn bommen te lossen, maar door omstandigheden vielen er enkele bommen op de Frederik en één daarvan is niet ontploft. Nadat de bommen gevallen waren gingen we een kijkje nemen. We kwamen bij een krater van ongeveer één meter met in het midden een putje met wat water in, het was duidelijk dat er hier een bom gevallen is die niet ontploft was. Het Duitse leger is ernaar komen kijken maar die hebben er enkel vier paaltjes met een draadje rond gezet, wat later terug weg gehaald werd, verder is er niets meer aan gedaan. Wel herinner ik me nog dat de eigenaar van dat stukje grond, bericht had gekregen dat de grond vrij was gegeven voor landbouwgebruik. Die bom zit er waarschijnlijk nog steeds in want nadien hebben we er nooit iemand gezien om die bom eruit te halen.

Bij een bezoek aan BRC vertelde ik de fabrieksdirecteur over die bom, het verbaasde me wel dat hij hiervan op de hoogte was. Later wilde men bijbouwen op dit terrein en ze vroegen zich af waar eigenlijk die bom zou zitten want er moesten betonpalen geslagen worden, wel meer dan dertig meter diep en ze waren er niet gerust in. Ze belden mij op en vroegen me om bij gelegenheid eens langs te komen om aan te wijzen waar die bom zou kunnen zitten. Ik ben direct in de wagen gesprongen en naar BRC gereden en heb daar op een oude kaart die ze hadden van de vroegere grondpercelen aangeduid waar die bom zit. Hiervoor moest ik wel zestig jaar terug denken. Ze hebben de bom niet kunnen detecteren omdat hij meer dan zes meter onder het opgespoten zand ligt. Ze hadden ook het leger gevraagd wat er zou gebeuren indien men een betonpaal op de bom sloeg.  “Normaal is alles wat er bovenop staat opgeruimd” had men geantwoord, “maar met een laag van zes meter zand erop zou dit nogal meevallen”. Gelukkig heeft men de bom niet geraakt en is er dus ook geen ontploffing geweest.

Zelfs bij een bezoek aan de BRC voel ik me er steeds weer thuis, ik kreeg er een toegangsbewijs en ben er steeds welkom.

We wonen nu ruim 41 jaar in Weelde. Onze zoon Frederik heeft de boerderij overgenomen. Soms help ik nog bij het melken. De overstroming en de gedwongen verhuis blijven natuurlijk in onze herinnering. Ik denk nog steeds zeer veel aan ‘de Frederik’ en liefst zou ik er zo vaak mogelijk naar toe gaan. Maar ik verzet me ertegen want het mag geen obsessie worden om daar steeds weer naar terug te willen gaan.

 

E G